IDEE 168 IDEE 170

Idee 169


   Ik gis dat m'n denkbeeld over de almacht der Noodzakelykheid zo oud is als de wereld. Overal vind ik sporen van dit idee. De Romeinen spraken van 'n Fatum dat boven de persoon-goden stond. De Grieken hadden hun anagkč. Maar 't Volk maakte ook dáárvan weer personen.
   Ei, ziedaar, om 't juiste accent op anagkč te zetten  -- ik heb nooit recht kunnen wysworden uit die accenten --  zoek ik 't woord op, en vind als vertaling, onder andere woorden zowel natuurwet als noodzakelykheid. Reeds de Grieken dus vonden synonimiteit in beide begrippen.

   En vroeger reeds. Onderzoek de bronnen van alle godsdiensten, overal zal men aan de oorsprong die verering, of beter die erkenning, vinden van de noodzakelykheid !
   Zelfs mensen die te-goeder-trouw menen zekere god te aanbidden, erkennen stilzwygend dat ook Hy met de almacht die men hem toeschryft aan de Noodzakelykheid onderworpen is. De vroomste, de gelovigste, meest bekatechiseerde christen zal niet bidden: laat de dag van gister terugkomen, o Heer!
   Als men dit zo'n gelover voorsloeg, zou hy antwoorden: "dat kán de Heer niet!" en door z'n antwoord een bewys geven dat zyn Heer wel degelyk onderworpen is aan de noodzakelykheid.



 
 

VOETNOOT

laat de dag van gister terugkomen, o Heer!
Zie alweer over de soort van hulp die men by de Heer zoekt, 908, 1256 vlgg. Patente wonderen durft men niet te vragen. Met bescheidenheid bepaalt men zich tot wensen welker vervulling, ook zónder de gevraagde tussenkomst, voor niet zo heel onmogelyk wordt gehouden.

(1872)