IDEE 176 IDEE 178

Idee 177


   Maar die leer der Noodzakelykheid is troosteloos, meent ge?

   Zo moet ieder adept van elke persoon-godsdienst gesproken hebben, toen men hem kwam vertellen dat zyn god alleen in z'n verbeelding bestond. Ik kan me voorstellen hoe verdrietig de Griek moet geweest zyn, toen hy begon intezien dat z'n Ceressen en Minervaas niets anders waren dan dichterlyke personifikatiën van IDEEËN. Verbeeld u de vrome Katholiek die 't vertrouwen verliest op de Heilige wiens hulp hem bewaren moet voor tandpyn of likdoorns! Zo'n Katholiek zou ik, in plaats van z'n heilige, de raad geven z'n mond zuiver te houden en zich 'n scherp mesje aanteschaffen. Die Griek had ik, voor Ceres en Minerva, 'n abonnement gegeven op de Landbouwkundige Courant, en 'n exemplaar van Humboldt's Kosmos. Ik beweer dat ze winnen zouden by die ruil.

   En gy die klaagt over de troosteloosheid myner leer... gy die waggelt zodra men u 't geknakt stokje afneemt waarop gy meendet te steunen... gy die vreest niet alleen te kunnen staan, zonder 'n Wezen dat gyzelf hebt geschapen om aantevullen wát u ontbrak aan bevatting, kracht en wil, gy... wees niet troosteloos! Die domme, zichzelf onbewuste, almachtige onwetende Noodzakelykheid is 'n God van liefde die u meer geeft dan 'n persoonlyke god doen kon, en  -- met het oog op de rechten van anderen --  doen mag.

   De Noodzakelykheid is voor allen gelyk. Dit is meer dan men zeggen kan van elke andere god.
   De Noodzakelykheid is aan zichzelf gelyk. Nooit heeft ze om iemand te plagen 1 + 1 = 3 gemaakt. Men kan op haar rekenen. Waar we menen dat ze ons verraadde, lag de schuld aan onszelf. We hadden niet goed opgelet. Wy maakten fouten in onze berekening, niet Zy.
   En zelfs waar ze wreed schynt  -- waar ze jonge meisjes doorknipt --  ook dáár ligt de schuld aan ons. Waarlyk, we hadden dat meisje niet moeten opnemen tussen duim en vinger! Wy hadden haar niet moeten voorhouden aan de lemmeten van die schaar! Dáárin lag de fout.
   En  -- vraagt ge, hoop ik --  als zo-iets gebeurt buiten onze wil door 'n zogenaamd ongeluk... is er dan nóg geen wreedheid in uw god?

   Neen, neen, duizendmaal neen! Wat is, moet zyn. 't Staat aan ons  -- en juist dit is Gods wil --  voorzichtig te wezen, opteletten, ons te wachten voor 't kwade.
   't Staat aan ons, waartenemen, natedenken, toetepassen.
   't Staat aan ons, te willen en te werken.
   't Staat aan ons, te streven naar ontwikkeling.
   't Staat aan ons, genot te vinden in dat alles... dat is in één woord: het staat aan ons deugdzaam te zyn, want genot  -- zó begrepen -- is deugd.



 
 
 

VOETNOOT

doen mag
   Een god die gebeden verhoorde, zou ogenblikkelyk moeten worden afgezet wegens misbruik van gezag en schennis der Natuurwet. En 'n god die zich niet schuldig maakt aan deze vergrypen, is overtollig, en zou zich dus moeten terugtrekken uit verveling wegens gebrek aan bezigheid. De enig denkbare functiën immers van zo'n god zouden bestaan uit 't verrichten van daden die door z'n onbevlekte heiligheid-zelf verboden zyn.

(1827)