IDEE 181 IDEE 183

Idee 182


   Ik stel me voor, enige nummers te besteden aan de toestand der vrouwen in onze maatschappy, vooral vóór of zonder 't huwelyk. Maar vooraf moet ik 'n kleine geschiedenis verhalen, die in 't licht stelt wat de vrouwen te danken hebben aan de bybel, opdat men niet, waar ik de zeden aanval, antwoordde: dat is zo, maar 't voorschrift was toch schoon.

   Ze was lief en goed de kleine Agatha. Ze was zo rein van hart als de dochter van 'n mens wezen kan. Van leugen had ze geen begrip. Met bevreemding zag ze de wereld aan omdat ze niet begreep dat er zoveel stryd kon wezen. Wat men haar zeide, geloofde zy kinderlyk. Als kind bad ze s' avends om 'n geruste slaap, en nooit at ze ongezegende spys. Later ging ze vroom ter-kerke, en zong met geestdrift:

'Want Edom en zyn vollick koen
Acht ik gelyck myn oude schoen.'
   of wat er anders te zingen viel. Nooit kwam 't haar in de gedachte te vragen of Jakob wel heel braaf deed, z'n broer 'n eerstgeboorterecht te ontfutselen door geleende ruigheid? Noch of 't pleizierig was voor de Kananieten, zo maar altyd-dóór te worden uitgeroeid? Zy die geen vogeltje had kunnen leeddoen, gruwde niet van de bloedlucht der grote slachtery die men 't Oude-Verbond noemt. De Heer had gesproken:... dit was Agatha genoeg, niet om goedtekeuren  -- zó ver kwam ze niet --  maar om zich t onthouden van oordeel, jazelfs om bewaard te blyven van onaangename indruk.
   Zo zyn er meer vromen, die niet bestand zyn tegen de minste smart, maar heel kalm aanzien hoe Gods uitverkoren volk huishoudt met de arme drommels die schuldig waren aan onuitverkorenheid.

   Agatha vroeg niet naar 't verband tussen háár zonden en Adams val: zy geloofde. Niet naar de wyze der verlossing door 't bloed des kruises: zy geloofde. Niet naar 't bewys onzer geestelyke onsterfelykheid, dat er liggen zou in de lichamelyke opstanding van Jezus: zy geloofde. Niet naar de samenhang in Jezus' lessen, minder nog naar de mogelykheid der toepassing, en nóg minder naar 't gehalte van die lessen: zy geloofde.
   Agatha was 'n Christin. Haar gemoed was de Here Jezus gewyd. Wat van hém kwam, was goed en heilig. Wat tegen hem was, hield ze voor slecht.
   En niet alleen hing ze met hart en ziel aan alles wat voorgeschreven was door Jezus, maar  -- zoals 't veelal gaat --  ook aan de gezegden welke door anderen aan die Jezus in de mond gelegd zyn. Het naamwoord "christelyk" was Agatha voldoende om de zaak schoon te vinden die als zodanig werd gekenmerkt, en ze beklaagde de Grieken die hun doden verbrandden in plaats van ze 'n christelyke begrafenis te geven.
   Wat het begraven der doden te maken heeft met Christendom, begryp ik niet, tenzy men 't verbranden afkeurt om 't meer verstrooid raken der delen, die naar 'n zeer plat begrip, dienen moeten tot de rekonstruktie van de lichamen.

   Agatha leefde christelyk voort tot haar achttiende jaar, en zie, daar kwam iemand vertellen dat hy haar beminde en huwen wilde. Na ruggespraak met vader, moeder en dominee zei Agatha dat ze niet ongenegen was 'n huwelyk aan te gaan, maar 't moest christelyk wezen. Zy vroeg de jonkman naar z'n geloof.
   'Hoe ik u bemin, Agatha? Vraag het de sterren, de bloemen...'
   'Ja, maar uw geloof?'
   'Overal staat my uw naam geschreven... in de wolken, op de golven der zee! Ik hoor die, in 't ruisen der bladeren, in 't murmelen van de beek...'
   'Maar... uw geloof?'
   ' 't Zal zaligheid wezen, Agatha, u te bezitten als m'n vrouw, als m'n leidsvrouw! Ik zal u liefhebben met al de kracht van m'n hart! Ik zal u geven... zeg my, Agatha, hebt ge de Minnebrieven gelezen?'
   'Maar, eilieve... uw geloof?'
   'Dáár staat het! O, ik had niet nodig dat te lezen om te weten wat liefde is, Agatha! Maar toch, 't is aangenaam als men z'n indrukken zó vindt beschreven! Ja, zó is het, Agatha, zó wil ik u liefhebben! Beminnen is neiging tot geven, tot bevruchten van de ene kant., neiging tot weergeven en baren aan de andere zyde...'

   Agatha begon iets onfatsoenlyks te vinden in de loop van 't gesprek. Zy brak het af, door nogeens te vragen: naar 't geloof?
   De arme jongen zei weer iets over z'n liefde, en bemerkte niet eens dat Agatha gedurig aandrong op wat anders. Maar wel had zy bemerkt dat de liefde van de jonkman werelds was. Men 'n beklemd hart ging zy naar dominee.
   Hij had haar Christin gemaakt. Hy had in haar opgewekt die onlesbare dorst naar de genadegaven des evangeliums. Hij had haar gewezen op de énige weg die 't licht, de waarheid en het leven is. Hy moest haar raad geven in deze  -- haar eerste --  bezoeking. De man sprak aldus:
   'Heil u, dat ge 't huwelyk alleen goedvindt, als ge 't moogt aangaan met de hope op de zegen die in Christus Jezus is. Ik heb alzo niet te vergeefs gearbeid, o myne dochter, in de wyngaard uws gemoeds. Heil, driewerf heil u, dat gy geroepen zyt om een brave, en u oprecht beminnende, maar helaas, door wereldzin afgedwaalde, jongeling, terugtebrengen op het ware pad. Ge hebt gelyk, Agatha, uw huwelyk moet christelyk wezen, en de Here geheiligd. Zeg uwe verloofde dat ge u voorneemt hem te beminnen zo als 'n christelyk meisje betaamt Dat ge bereid zyt hem te nemen tot uwe echtgenoot naar de voorschriften daaromtrent gegeven door onze Heer en Heiland. Laat hem zyn beschouwingen over de heilige staat des echtverbonds niet putten uit zedeloze zielverpestende geschriften, doch zeg hem dat hy zich lave aan de enig-zuivere bron...'
   In 't kort,  -- want het walgt my --  de verliefde jonkman moest, om nu recht precies te weten wat 'n Christelyk Huwelyk was, nalezen: Mattheus XIX!
   En na die tyd zag Agatha in, dat niet al het Christelyke, schoon, rein, verheven is.
   Nog enige tyd bleef zy 'n goed meisje. Ze is 'n verstandige vrouw geworden... maar  -- of liever want -- christin is ze niet meer!