IDEE 182 IDEE 184

Idee 183


   Hoe... er wordt gesproken van 't huwelyk, van de vereniging der geslachten, die de mens  -- man of vrouw, onverschillig --  eigenlyk voor 't eerst waarlyk tot mens maakt, en hy, de wetgever, de voorganger, de opvoeder, de wysgeer, de zedemeester, heeft daarover niets meetedelen dan die platte ruwe ongemanierde opsomming der onderscheiden manieren waarop de man  -- neen, 't mannetje --  voor 't huwelyk ongeschikt wordt? Hoe, hy die gelykenissen  -- en schone! --  wist vastteknopen aan 't geringste voorwerp, aan zuurdeeg en mosterdzaad... hy die farizeeën en schriftgeleerden te-woordstond  -- en flink! --  met donderend verwyt en dieper treffende spot... hy wist niets dan dát van 't huwelyk te zeggen? Hoe... hy dacht aan de man alleen, en scheen te verstaan dat men hem om raad vroeg in 'n kwestie van hygiène? Hoe... hy vergat die gehele andere helft van 't menselyk geslacht, om de vraag alleen optevatten met het oog op de dierlyke behoefte, op de allerplatste konveniëntie van deze helft? Foei!
   Foei, foei, foei!

   Nooit heb ik de vrouw behandeld gezien met zoveel vernietigende minachting.
   In veel wetgevingen van zogenaamde zedemeesters  -- zie de mozaïsche --  is zy 'n zaak, 'n ding, 'n meubel, 'n koe...
   Hier, naar de uitspraak van Jezus, is ze niets, volstrekt niets! Elders worden haar rechten miskend om alleen te spreken van haar verplichtingen. Hier schynt het niet de moeite waard zelfs, met 'n enkel woord van die verplichtingen te spreken!
   Ik vraag u of Jezus anders had kúnnen antwoorden, als de discipelen hadden gevraagd of 't goed is pantoffels te dragen? Of, in 't nu gegeven antwoord, iets meer is gelet op de belangen der vrouw, op de rechten der vrouw, op de behoeften der vrouw, dan in zo'n antwoord zou gelet zyn op de behoeften, belangen en rechten van 'n ouwe slof?
   Foei, foei, foei!

   Ziehier 'n andere lezing die 'k voorstel te leggen naast de oude. Ik wil zien welke Christen de moed heeft die van Mattheus mooier te vinden.
 
 

  1. Toen zeiden zyne jongeren tot hem: staat de zaak eens mans met zyne vrouw alzo, dan is het niet goed te trouwen.
  2. En hy zeide tot hen: ik zegge u 't is de man goed te trouwen, opdat zyne ziel geheel worde en hy mens zy.
  3. En der vrouwe is 't goed te huwen opdat haar ziel volmaakt worde, en ze een mens zy.
  4. Want de Heer rustte niet na 't scheppen van de man. En hy schiep niet de vrouw alleen, zonder man. Maar man en vrouw schiep hy ze, opdat de mens volmaakt zy.
  5. Zo, wie een rechterhand heeft en de linker mist, hy is niet volmaakt. En wie een linkerhand heeft, en niet de rechter, hy is niet volmaakt. Maar de mens is gegeven een rechterhand en een linkerhand, opdat hy volmaakt zy.
  6. En de rechterhand zegge niet, wat is u, linker... ik ben de hand. Noch zegge de linkerhand tot de rechter, wat is u, ik ben de hand. Want te-zamen zyn ze volmaakt. Alzo de man en de vrouw.
  7. De rechterhand gespt de gordel die nodig is. En de linker draagt de waterkruik die gy nodig hebt. Wie z'n gordel verliest, en 't geld dat hy daarin bewaarde, kan niet leven. En wie geen waterkruik meedraagt, zal bezwyken. Alzo de man en de vrouw.
  1. Gy hebt gehoord dat er gezegd is: zy zullen één vlees zyn... doen niet hoereerders en overspeelsters ook alzo? Waar is uw huwelyk?
  2. Gy hebt gehoord dat er gezegd is: vlees van myn vlees, been van myn been... doen niet de dieren des velds ook alzo? Waar is uw huwelyk?
  3. Zowaar uw God is een God van waarheid, zowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw, huwt in de waarheid, opdat gy geen leugen kweekt.
  4. Zowaar uw God is een God van geest, zowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw, huwt in de geest, opdat niet de jongen van de dieren des velds zeggen tot uw kroost: wy zyn u gelyk.
  5. Zowaar uw God is een God van liefde, zowaar zegge ik u, gy man en gy vrouw, huwt in liefde, opdat gy kinderen voorbrengt die geteeld zyn in liefde.
  6. Gy man, plooi niet in de tempel uw mond naar de wyze der rabbi's, als proefdet gy zoete wyn, en spreek niet tot uwe vrouw, als ware er alsem op uw tong.
  7. Wie wysheid spreekt in de tempel, en dwaasheid geeft aan zyne vrouw, is een dief.
  8. Wie heeft u geroepen in de tempel? Gy kwaamt ongeroepen? Maar aan uwe vrouw hebt gy liefde beloofd. Daarom opende zy, op u vertrouwende, haar schoot.
 

 
  1. En gy, vrouw, onteer niet uwe man door te zeggen: heer! Want als ge uzelve verlaagt, verlaagt gy hem die met u één is. Neew van zyn pad wat gy kunt, opdat hy niet struikele.
  2. Doch ik zegge u dit, niet sprekende tot u als een slavin, maar opdat gyzelve niet valt, waar hy gestruikeld is. Want gy zyt één.
  3. De vrouw zal verantwoorden voor de man, en de man voor de vrouw, want ze zyn één.
  4. Wie zyner vrouw tarwe geeft dat zy koeken make, éét van die koeken. Zy is de man geen dank schuldig. Doet niet de broeder alzo? Waar is uw huwelyk?
  5. De vrouw die koeken bakt, dat de man ete, éét van die koeken. De man is haar geen dank schuldig. Doet niet de zuster ook alzo? Waar is uw huwelyk?
  6. Maar zo wie een ster ziet, zegge tot zyn beminde: zie die ster, en verheug u! En de vrouw die een aandoening heeft van vreugde, dele die met hare man. 't Is zyn eigendom, en zy verliest niet door 't delen. En waar de man smart voelt, dele hy die met de vrouw, opdat zy niet vrage: ben ik beneden uw gevoel?
  7. Waar zy treurt, treure hy mede, opdat zy niet vreze lager te wezen dan zyn droefheid, en beschroomd worde haar deel te nemen van blydschap.
  1. En als de man verneemt dat de Sadduceeën bekeerd zyn tot het geloof aan opstanding, hy zegge dat der vrouw, opdat ze niet inslape aan haar spinnewiel.
  2. En als de draad breekt van haar spinsel, zy zegge dat hare man, opdat hy niet mene meer te zyn dan zy, door schriftgeleerdheid.
  3. Bevrydde niet Judith het volk van Israël, met koene moed? Daar waren veel mannen te Jeruzalem die t'huisbleven toen zy uittoog naar de tent des geweldigen.
  4. Heeft niet Deborah Israëls volk gericht, en was er wanorde toen zy richtte?
  5. En wanneer de man een oprechte farizeeër heeft gezien, hy zegge dat der vrouw, opdat zy zich verheuge met hem, als ze 't geloven kan.
  6. En zo wanneer de schriftgeleerden hem hebben verstrikt met strikvragen, hy hore z'n vrouw, wat ze zegt. Misschien bedacht zy een antwoord, onder 't spinnen, voor ze de vraag vernam.
  7. En de discipelen zeiden: 'Heer, hoe is dit? Der vrouwen is verboden de schriften te onderzoeken, hoe zal ze strikvragen oplossen?
  8. En hy zeide: uit de schriften leert men strikvragen stellen, maar er is veel antwoords in het denken by 't spinnewiel.
 
 
  1. En wederom vraagden de discipelen, zeggende: Rabbi, daar was een vrouw wier man leerde in de tempel. En hy kwam tehuis, en zeide: "daar is gesproken over 't koninkschap van Melchizedek" en zy vraagde: "wie is Melchizedek?"

  2.   En hy zeide: "wy waren gevangen in Egypte." En zy hernam: "ik was nooit in Egypte."
      En  hy zeide: "men vraagt of Elias hoger zy dan Mozes?"
      En zy riep: "ik ken Elias niet."
      En hy zeide: "de tempel is vol nieuwigheidszoekers die de mens verdelen in lichaam en ziel." En zy antwoordde: "deze dingen zyn my te hoog, ik wil niet verdeeld zyn, ik spin."
      Want Rabbi, al spinnende had ze niet geleerd Melchizedek te kennen, noch hare ziel. Meester, hoe is dit?
  1. Doch hy, voortgaande, zag een akker waarvan de grond goed was, maar daarop groeide geen graan, ofschoon 't in de tyd was van de oogst.
  2. En hy nam een stokske, en sloeg tegen de deur van 't huis de mans wie de akker behoorde. En de man riep: waarom slaat ge myn deur?
  3. En hy zeide: kom uit, en oogst! Zyn niet de aren gezwollen, en roepen om de sikkel? Waarom oogst ge niet van uwe akker?
  4. De discipelen zeiden: Heer, hy heeft niet gezaaid.
  5. En hy, antwoordende, zeide: voorwaar, ik zegge u, wie niet zaait in de zaaityd, hy zal niet oogsten in de tyd des oogstes. Er zyn weinig akkers onvruchtbaar, maar 't getal der trage landbouwers is groot.
  6. En nogmaals sloeg hy tegen de deur des mans die niet gezaaid had. Maar de discipelen begrepen hem niet.
 



 

 

VOETNOOT

...als ze 't geloven kan
   Dit voorbeeld van slechtschryvery kan gevoeglyk gebruikt worden op de wyze als bedoeld wordt in 547. De scherpte der woorden: als ze 't geloven kan, past volstrekt niet by de toon van 't geheel. De auteur-zelf spreekt hier, in-plaats van 't woord te laten Jezus, die hy  -- overigens nogal op verdienstelyke wyze --  sprekend invoert.

(1872)

(terug)