IDEE 197 IDEE 199

Idee 198


   Maar ik wil nu spreken over ónbeloonde deugd, over meisjes die niet huwen, over haar die géén genade vonden in de ogen des jonkmans. 't Zal velen toeschynen dat ik spreek over wat anders.
   De Natuur is weldadig. Ze moet wél doen  -- en dus weldoen --  in alles wat ze doet, omdat niet-wél doen haar doodvonnis wezen zou. De minste afwyking van haar plicht, van de wet der Noodzakelykheid, zou in vreselyk toenemende progressie uitlopen op verwarring van 't geheel, op zelfmoord. De geringste verkrachting van de Aard der Dingen heeft  -- niet terstond, maar wel dadelyk en spoedig -- de verwarring van alle dingen ten-gevolge. Die verwarring komt in zoverre neer op vernietiging, als men zeggen kan dat iets niet bestaat, wanneer men, óf van de som zyner eigenschappen wat aftrekt, of die eigenschappen-zelf vernietigt. Wat hetzelfde is. Want de vernietiging éner eigenschap bewerkt  -- weer in oneindig snel toenemende progressie --  de vernietiging van alle eigenschappen, en Iets zónder eigenschappen is Niets. In 't voorbygaan wil ik hier die progressie schetsen in twee voorbeelden. (134)

   Wanneer men 'n streng draadgaren wil vervormen tot 'n kluw, windt men die om 'n haspel. Als nu by 't geleidelyk afwinden de draad haakt en schynbaar verstrikt is in de nevendraden, en men meent dat beletsel uit de weg te ruimen door 't ontstrikken van de niet bestaande knoop  -- als men "doorsteekt" --  ontstaat juist dáárdoor 'n tal van werkelyke strikken of knopen die later niet kunnen worden ontwikkeld zonder 't veroorzaken van nieuwe knopen. Wanneer men zich die draad oneindig denkt, vermeerdert ook het aantal knopen tot in 't oneindige, al ware de rede der geometrische progressie slechts 2, de kleinste rede die in dit geval bestaan kan. Een oneindig-grote streng draad, met 'n oneindig getal knopen of strikken, ware geen draad meer. Behalve de soort der grondstof, zouden alle delen der bepaling van 't denkbeeld: draad verloren zyn gegaan. Jazelfs die grondstof zou veranderen, wyl deze haar hoedanigheid ontleent aan de wyze waarop de delen onderling verenigd zyn, en die wyze van vereniging zou veranderen door de oneindigheid der strikken en knopen.
   De natuur nu, steekt nooit door. Liever: ze steekt niet door, niet die eerste maal waaruit hoofdzakelyk de verlokking to het volgende doorsteken voortvloeit.

   Een tweede voorbeeld. Gy hebt 'n berekening te maken, 'n redenering in cyfers. In den beginne stelt ge ergens ten-onrechte x + ( of - ) y in plaats van x. De y is zó klein dat het byvoegen of aftrekken daarvan u voorkomt geen, of geen belangryke, invloed te hebben op de waarde van x. Maar x ondergaat bewerkingen, véél bewerkingen, en de ten-onrechte afgetrokken of bygevoegde y deelt daarin. Het afwyken van de waarheid wordt hoe langer hoe groter. Het baat zelfs niet dat sommige bewerkingen de onjuistheid van sommige andere teniet doen  -- 't gebeurt zelden dat 'n tweede dóórsteek de eerste als ongeschied maakt, en al ware dit het geval in de vergelyking, in de Natuur is 't zo niet ! --  de onjuistheid van y te-veel of y te-weinig, groeit aan naarmate x méér keren wordt behandeld.
   In de Natuur is alweder 't aantal keren der behandeling van x oneindig, dus ook oneindig in de maat der onjuistheid van de fout die ik uitdrukte door y. De werking van die Natuur is in de meest strikte zin: eenvoudig. Ze heeft namelyk maar één middel, dat tevens doel schynt: aantrekking. (172)  Al wat bestaat, heeft neiging tot samenzyn, tot verenigen, tot ineensmelten, tot éénzyn.

   Met die neiging wordt ook de mens geboren. Ik ga nu al de overige verschynselen welke daaruit voorvloeien voorby, om my te bepalen by de hoofduitdrukking de algemene wet, tot de Liefde, omdat  -- misschien juist wegens de algemeenheid der werking van deze wet --  ze nergens zo duidelyk kan worden waargenomen als in 't geslachtsleven. Hoe men ook  -- meer of min willekeurig altoos --  de liefde verdele in soorten, overal vervult die hoofdwet de voornaamste, misschien de enige rol. En nergens ligt te noodzakelykheid van de wet zo duidelyk voor ons oog. Wel nemen wy de "aantrekking" in alles waar, doch niet overal, ja nergens blykt zo duidelyk de behoefte aan die neiging. Wie ziet hoe twee stofdelen zich verenigen, kan nog altyd ontkennen dat die vereniging doel of 'n aanwysbaar gevolg heeft, al erkent hy 't feit. Maar de neiging by de individu van 't dierenryk tot aanhangen, tot samenzyn, tot éénzyn, brengt het bewys van hare noodzakelyk met zich. Ieder ziet in, hoe niet-verenigen het synoniem wezen zou met vernietigen.
  
Ik beweer dat die synonimiteit overal bestaat, en dat ze maar in 't geslachtsleven gemakkelyker is waartenemen.



 
 

VOETNOTEN

...van de fout die ik uitdrukte door y.
   Deze uitdrukking is inkorrekt. De Natuur maakt geen fouten, en 't heeft dus geen zin zich te verdiepen in de gevolgen van misslagen die ze niet begaan kan. Dit was dan ook m'n bedoeling niet. Ik wilde doen in 't oog vallen dat elke door ons begane fout, in de nauwkeurige boekhouding van het zyn blyft doorlopen tot de uiterste fatale konsekwentie, die produkt of som is van het oneindig aantal keren inwerkende behandeling.

(1872)

(terug)
 
Ik beweer...
   Beter: ik gis. Misschien heeft er bevruchting plaats by elke aanraking van atomen.

(1872)

 (terug)