IDEE 213 IDEE 215

Idee 214


   Artis en kinderen.

   Voor acht jaar bezocht ik de school waarop  ikzelf had geleerd dat men 't woord mens moet schryven met c.h. Waarom, weet ik nóg niet.
   Ik was uit Indië vertrokken met het voornemen die school te bezoeken, en al had ik dit niet willen doen uit eigen begeerte om de plaats weertezien waar 'k zo byzonder knap ben geworden, ik moest wel. Veel ouders namelyk in Indië hadden 't onderwys en de opvoeding van hun kinderen uitbesteed by de onderwyzer van diezelfde school. By m'n vertrek verzochten ze my hun kinderen te gaan zien. Ik beloofde dit, en heb 't gedaan.
   Ik hield die onderwyzer voor 'n braaf en  -- in zeer gewone zin --  voor 'n bekwaam man.
   Hy mishandelde de kinderen niet. Hy gebruikte ze niet als dienstboden. Hy beschouwde ze niet als Indische koeien voor z'n Hollandse melkery op kleine schaal... zie, dit alles was by hem niet 't geval. In 't voorbygaan moet ik u zeggen dat dit op veel Hollandse kostscholen die zich zo byzonder toeleggen op de ontwikkeling der kinderen van "onze Indische broeders" wél 't geval is. Daarvan weten sommige ouders op Java te spreken!
   Welnu, deze man was gemoedelyk braaf. De godsdienst  -- zie, ik geloof ditmaal 'n ongehuichelde! --  speelde de hoofdrol, zoals ge zult bemerken als ge lezen wilt wat my met hem weervoer in Artis.

   Want daar kwam ik op zekere morgen met de kinderen te-land, nadat ik ze vroeger naar m'n beste vermogen wat genoegen had verschaft door ze meetenemen naar komedie of concert.
   De onderwyzer was meegegaan. Ik zag er zeker uit als 'n sekondant. Ons troepje jongens, 'n behoorlyke trap der jeugd van de onnozele tweeklanken af tot de lyzige halfgare retoriek toe, had op de weg in 't gelid gelopen. Maar in de dierentuin verspreidden zy zich. Althans zo meende ik. Doch later bleek me dat ze heel trouw waren byeengekomen.
   Wie nu geen verstand heeft van Zoölogie en Opvoeding, zou menen dat de een keek naar de leeuw, de ander naar de papegaaien. Dat de een by de slangen stond, de ander by 'n hyena. Mis!
   'Waar zyn de anderen?'  -- vroeg m'n onderwyzer die met my had plaats genomen aan 'n tafeltje --  'waar zyn de anderen?'
   Hy vroeg dit aan 'n klein kereltje dat even zichtbaar was aan 't eind van 'n laan.
   'By de apen, m'nheer!'
   En m'n onderwyzer zette ons gesprek voort, dat afgebroken was door z'n wens om te weten 'waar de anderen waren?'
   Zodra ik 'n komma-punt ontwaarde, maakte ik daarvan gebruik om hem te vragen of hy gehoord had wat die kleine jongen geantwoord had?
   'Jawel, ze zyn by e apen. Ik wilde u dus zeggen dat...'
   Weer wachtte ik 'n komma-punt, en vroeg nogeens: 'Hebt ge gehoord wat hy antwoordde?'
   'Wel zeker, ze zyn by de apen... dáár is geen water. Ik beweerde dan...'
   By 't derde komma-punt, viel 'k hem weer in de rede...

   't Vervolg hierna. (380) Ik breek af omdat ik plaats nodig heb voor 't volgend IDEE.