IDEE 227
IDEE 227a
IDEE 226 IDEE 228

Idee 227.


   De Heer Thorbecke heeft veel te doen, als-i ten-minste, met of zonder titel dan, premier is. Hy moet:

   Ik wou hem graag 'n brief schryven, maar ik begryp dat hij 't bijna zo druk heeft als ik.



 
 

Idee 227a.

(In de uitgave van 1872 als Noot toegevoegd, in 1879 als apart IDEE opgenomen)

   Hier blykt dat m'n geringschatting van de heer Thorbecke als staatsman ( 452, 966, vlgg ) geen parti-pris was. Gelyk velen verwachtte ik in 1862 inderdaad iets van hem. Hy heeft geen enkele der zaken afgedaan die ik hier op z'n agenda zette. Het Dagbladzegel is nu afgeschaft, maar door hém niet. Wat de men wél heeft verricht, is my onbekend. Hy is nu, geloof ik, weer minister (1872) doch zeker weet ik het niet. 't Boezemt me geen belang meer in. Er staan heel ándere veranderingen voor de deur, dan dat gedurig inruilen van lood om oud yzer.
   Uit de schone redevoering van de heer Wintgens in de Kamerzitting van 13 november 1871, meen ik te mogen opmaken dat ik niet te-vergeefs geleefd, gedacht, gearbeid heb. Ook anderen beginnen intezien...

   Maar wél is 't weer karakteristiek, dat ik  -- zo kort na 't verschynen van m'n stuk over  Specialiteiten, waarop de debatten van de maand zo'n scherp afgedrukt zegel zetten! --  niet genoemd werd, noch door de heer Wintgens noch door de andere sprekers, al bleek er dan telkens  -- byv. uit het nogal boetvaardig veroordelen van schoolmeester-vaardigheden, door Mr. Thorbecke-zelf ! --  dat men myn beschouwingen over de kamerdebatten pas onlangs gelezen had.
   Er is iets komieks in die vrees m'n naam te noemen. Begrypen die heren niet hoe luid dat zwygen spreekt? Nadat ik zo kort geleden in myn  Nogeens Vrye Arbeid  had aangetoond dat het zogenaamd Kultuurstelsel op de aard des Javaansen Volks gebazeerd was, en dáárom moest behouden blyven, voerden de voorstanders van dat stelsel als motief voor hun mening hoofdzakelyk aan: dat de zaak eigenlyk 'n etnologisch vraagstuk betrof, 'tgeen, zeiden zy, onlangs verzekerd was door... 'n Oostenryker ! Ook de kapellenvanger Wallace  -- 'n opmerker van de minste soort, waarachtig ! --  werd tot getuige geroepen! 't Is waarlyk om te vertwyfelen aan z'n denkvermogen als men bemerkt dat zulke hansworsten 't met ons eens zyn. De man spreekt mee over zaken waarvan hy 't eerste woord niet weet. Ter verontschuldiging kan misschien worden aangevoerd, dat-i niet kon voorzien door Nederlande Staatslieden te worden gepromoveerd tot autoriteit. Op Java zou geen koelie 'n raad van hem hebben aangenomen, maar voor Den Haag schynt alles  -- behalve 't goede, natuurlyk! --  goed genoeg.

   Wel echter kon de man voorzien dat de beoefenaars van z'n vakken  -- botanie, zoölogie, etnologie, enz. --  z'n werken zouden raadplegen, gelyk dan ook, byv. door Darwin, geschiedt. Dit is zeer te betreuren, en ik zal deze eerlyke maar naïve denker waarschuwen tegen zulke berichtgevers. Wat in Wallace ten-enenmale ontbreekt, is: de konsciëntie der wetenschap. Ik neem aan, dit in z'n werken aantetonen. Dat de Hollanse vertaling door Prof. Veth, in zekere zin naar my gedoopt is  -- Insulinde! --  doet me hartelyk leed. Het is 'n aardig boek voor leken, en ontleent z'n grootste waarde aan de zo korrekte noten van de heer Veth-zelf, wiens kennis van Indische zaken verbazend is. Het verwondert me dan ook zeer dat hem Wallace's gebrek aan wetenschappelyke konsciëntie niet meer stuit, of althans dat daarvan zo weinig blykt. Ook Prof. Veth vergist zich nu-en-dan. Wie niet? Wat, byv. de baarse Wallace  -- wiens filologische kennis, behalve z'n onwetenschappelyk Engels, zich hoofdzakelyk wel bepalen zal tot wat muzeum-Latyn: dit- of dat-ptera Wallacii! --  wat die man outriggers noemt (zie noot 9 van de heer Veth, blz. 287) zyn de aan twee dwars over 'n klein vaartuig liggende staken bevestigde stukken bamboe van 'n prahoe-sajab = vlerkschuit. Deze uitleggers bevinden zich dus niet, gelyk de heer Veth meent, aan de loefzyde alleen, 'tgeen vanzelf spreekt omdat loef en ly gedurig verwisselen, en men die mekaniek niet telkens zou kunnen overbrengen. Ook doet ze haar werking niet door de zwaarte aan de loefkant  -- de hele toestel is daartoe te licht, en de manschappen zouden er niet dan zeer moeielyk, en dan slechts 'n ogenblik, op kunnen zitten --  maar door de tegenstand van 't water tegen de met lucht gevulde bamboe aan de lykant van 't vaartuig.
   Zulke foutjes zyn menselyk, en doen 'n goede opmerker te meer in 't oog vallen hoe nauwkeurig overigens de heer Veth alles onderzoekt. Byna ieder ander had die Engelse outriggers zonder kommentaar laten voorbygaan. Men is grote eerbie schuldig aan de wetenschappelyke hoogte waaarop de heer Veth staat, als verschilt men dan  -- gelyk met my 't geval is --  van hem in zogenaamd-staatkundige richting. Ik-zelf heb genoeg gewerkt om te begrypen hoeveel hy moet gearbeid hebben!

    Met die Wallace nu, is de zaak juist andersom. Mir nichts, dir nichts gaat hy veel belangryks voorby, en geeft telkens, in-plaats van rezultaten ener  -- in Indië dikwyls lastige --  wetenschappelyke nasporing, een ter-loops opgevangen praatje, zodat hy, ook waar-i de waarheid zegt, zeer dikwyls slechts de verdienste heeft van juistraden. De voorbeelden die ik hiervan kan aanhalen, zyn anekdotisch. En soms wapent hy zich tegen misraden, door 'n zonderling of. Een uit 'n boom gevallen orang-oetang, die hy N.B. zegt ontleed te hebben, had volgens hem 'n been 'of' 'n arm gebroken. Zou 't ook misschien de staart geweest zyn?
   Het zou een werk van lange adem wezen ál de byzonderheden optegeven die Wallace stempelen tot 'n bevoegde vraagbaak voor ieder die aan wetenschap geen behoefte voelt. De goedige vergunning om te kiezen tussen arm en been van die orang-oetang  -- let wel, dat z'n 'of' geen sive is, maar wel degelyk vel, want twee en drie regels vroeger spreek hy van vingerspitsen, elders van handen, en overal stelt hy de armen van het dier tegenover de benen --  de vergunning nu, om ditmaal te kiezen, wordt de lezer wel enigszins vergald door de onmeedogende wys waarop hy hem 't getal van de gedurende zes-en-twintig nachten gevangen nachtuiltjes opdringt, nacht voor nacht, met de datums erby: totaal 1386 stuks, welgeteld. (blz. 141) De man die 'n maand zoek maakte met het vangen en tellen van die nachtuiltjes, heeft middel gevonden om in drie en een halve maand (blz. 162) de Javase Flora en Fauna en de geologische struktuur van dat grote land te determineren, aan de  -- N.B. uit verschillende stammen bestaande --  bevolking van vyftien miljoen zielen haar anthropologische plaats te wyzen, en pour la bonne bouche gewysde te slaan in 't proces tussen Kultuurstelsel en Vrye Arbeid... waaromtrent hy godbeter't van myn opinie is!

   Het getal soorten vlinders noemt hy met stipte cyfers. En dat der vogels... lezer, Wallace verzekert ons dat er in zyn tyd op Java slechts tweeërlei soort van papegaaien waren, en tevens dat hyzelf van daar vertrok op de 31e oktober 1861. De ornithologen zullen dus in november van dat jaar aan de psittaceeën niet veel te tellen gehad hebben.
   Zo'n kwakzalver  -- een der Engelse trompetters, waarvan ik sprak in de  Specialiteiten  --  wordt als autoriteit aangehaald in onze Volksvertegenwoordiging! Is 't wonder dat het vaderlandslievend gemoed van 't straatgrauw, zich richtend naar zulke voorbeelden, z'n Neerlandismus uitgalmt in: die Wacht am Rhein ?
   Ik bén nu eenmaal, helaas, slechts 'n Hollander. Kan ik 't helpen? Maar zy die op-grond hiervan gedurig de vryheid nemen my beneden de eerste de beste vreemdeling te stellen, moesten bedenken dat zo'n antinationaliteit henzelf ook niet verhoogt. Money, of 'n Oostenryker  -- 'k weet waarachtig 's mans naam niet, en heb geen lust die op te zoeken --  en Wallace... hartelyk dank!

   Ik betwyfel zeer of men in 't Engelse Parlement gebruik maken zou van myn wysheid als ik 'n vertoog schreef over de werking van plumpudding of de spleen, of 'n handboek voor boksers. Ik zal me er niet aan wagen.


 

VOETNOOT

...hoeveel hy moet gearbeid hebben!
   Ik laat dit getuigenis met te meer genoegen onveranderd staan, om daardoor 'n tegenhanger te leveren tegen de laaghartige oneerlykheid waarmee de vry-arbeidende professor Veth by-voortduring de politieke kant der Indische zaken behandelt. Hy  -- de schryver toch van 't stuk in de Gids van Augustus 1860! (Minnebrieven, uitgaaf 1875, blz. 153) --  neemt de schyn aan, nooit iets van Havelaar gehoord te hebben! De belangen der edele vry-arbeidsparty schynen die voorgewenste ignorantie te vereisen. Wie van 's mans onbeschaamde valsheid meer weten wil, wordt verwezen naar Roorda's kritiek van z'n werk: Java, geographisch, ethnologisch, historisch, Afl. 28 en 29 (Weekblad Oost en West, 1878, No.21 vlgg). 

(1879)

(terug)