IDEE 230 IDEE 232

Idee 231.


   Nu inderdaad het tweede hoofdstuk. Ik zal spreken van geloof en liefde. Van de Sainte-Vierge en van meikersen. Van zeeziekte en van 'n monnik in bruine py.
   Maar ook zal ik spreken van ongeloof en sarkasme, van bittere wysheid  -- bitter nog omdat ze maar half was --  van weemoed en van stryd. En, zoals zy eens gezegd heeft, van de overwinning in 't eind. Wees dus heel gerust als ge straks daar iemand ziet struikelen...

   Er kwam 'n schuitje langs-zy. Een monnik met geschoren kruin, barrevoets, om de lenden iets als woestynkostuum, wou er uitstappen, struikelde...
   Tyd om te vallen had-i niet. Onze natieloze Griek die de man had zien aankomen, greep hem. Hoe hy zo gauw kon afglyden langs boord -- hoe hy 't juist wist te mikken om, hangend aan 't puttingwant de kloosterling te grypen met de vrye arm... zie, dit alles weet ik niet. 't Was of hy voorzag dat die oude monnik hulp behoeven zou, en of-i zich had klaargemaakt tot het verlenen van die hulp.
   Les moeurs de son pays, misschien? Waar zou dat land liggen? Daarheen! Daarheen!    Toch lag er iets komieks in de buiging van de toon die hy nodig had om 't woord: père uittespreken. Zeker was hy protestant, onze... Amerikaan. Methodist, denk ik.    En de monnik lachte met goedmoedige vrolykheid over 't water dat afdroop van z'n robe... sa belle robe, naar-i 't ding noemde. Die robe was 'n ruw,  harig kleed van vuilbruine stof. Ik heb fyner vloermatten gezien.    En met kluchtige gemeenzaamheid nam hy de vreemde onder de arm, trok hem ter-zyde, en fluisterde:    En hy wees op 'n tiental zakken met provizie die hy scheen te hebben ingekocht te Marseille.    Die volière was z'n klooster, moet ge weten.     De vrolyk babbelende schertsende monnik werd op-eenmaal 'n ander mens. Zyn gelaat verhelderde, hy richtte zich op, er straalde iets uit z'n ogen dat de vreemde berouw deed voelen over z'n misplaatste spot. Heel gelukkig evenwel dat ze afstuitte op de trouwhartigheid van de barrevoeter, want deze begreep niet dat er kón gespot worden met iets heiligs als zyn geloof. Ook dacht hy niet aan andere "geloven". Hy was Italiaan, dat ge reeds wist door z'n uitspraak van de Latynse u.    Toch was er oprechtheid in z'n uitroep. Of 't 'n anabaptistische of 'n lutherse aandoening was, weet ik niet, maar hy voelde in z'n gemoed de behoefte om 'n Vierge te scheppen, daaraan te geloven, die Vierge te danken... alles om de monnik op dat ogenblik niet alleen te laten staan met z'n kinderlyk geloof. Maar spotzucht behield de overhand.    De vreemde voelde geen hindernis meer in 't uitspreken van dat katholieke: mon père. Jazelfs, hy begon die klank lief te krygen om de betekenis.    Hy opende z'n haren opperkleed  -- och, onderkleed was er niet --  nam van 'n ruw yzerdraad ringetje 'n klein voorwerp, dat met vele andere sedert jaren hem bewaarde voor rampen, en in-plaats daarvan hem aanhoudend schuurde en wondde op de blote borst...     't Was 'n tinnen poppetje dat de Heilige Maagd verbeeldde.    Als de monnik had kunnen verdacht zyn op spot, had hy die moeten ontwaren op 't gelaat van de vreemde. Maar heel gelukkig, de man bemerkte niets en antwoordde nogal plechtig:    Dit zeide hy hoogernstig, maar alsof op-eenmaal weer z'n bonhomie de overhand nam op dweepzucht, op vrolyke toon voegde hy er by:  

TUSSEN-HOOFDSTUK

   Nu, onze man  zonder natie en geloof, wás tranquille. Dit moet men hem ter ere nageven.
   De ongegronde meegevoeligheid voor de naïve maagdgelovery van de monnik was geweken. De kinderlykheid van die jonge oude man had de vreemde kind gemaakt voor 'n ogenblik, maar ook niet voor langer dan 'n ogenblik.
   Hy liep naar 't achterdek, en lachte by 't denkbeeld dat wel z'n... Tubinger vrinden zouden zeggen, als ze wisten dat-i daar rondliep met 'n tinnen poppetje  -- hu, 'n afgodsbeeldje! --  in de hand!
   Overboord gooien wilde hy 't niet. De monnik mocht hem eens daarnaar vragen, en 't zou de vriendelyke man smarten te ontwaren dat men z'n vroom geschenk versmaad had.
   Dit nu scheen voorgeschreven te zyn door 't onbekend "geloof" van de vreemde, dat hy ongaarne iemand smart veroorzaakte. Maar of-i 't artikel van z'n katechismus, waaruit hy dat "geloof" putte, wel zo goed in 't hoofd had als 't jaartal der Kerkvergadering te Nicea... zie, dat zou 'k betwyfelen.
   Hy stak 't heiligbeeldje in z'n vestzak, en hervatte z'n wandeling op het dek, die afgebroken was door de aankomst van de monnik.
   Deze zat op 'n zak knoflook te bidden.
   De ongelovige vreemde die genezen was van z'n sentimentele indruk, zag met medelyden op de arme man neer, telkens als z'n wandeling hem in diens nabyheid bracht. Maar wel nam hy zich in-acht voor de uitdrukking van z'n gelaat, opdat de monnik niet bemerken zou hoe bespottelyk hy z'n formulier-vroomheid vond. Integendeel, er lag iets vriendelyks in z'n blik zodra die de arme man ontmoette. Hy die betrekkelyk jong was, zag de monnik aan zoals 'n volwassen mens op 'n kind staart, met neerbuigende vriendelykheid. Ik kan alweer niet zeggen, op grond van welk geloofsartikel dit geschiedde, maar 't was zo.

   M'n uitgever laat vragen om IDEEËN...



 

 

VOETNOTEN

puttingwant
   Voor deze lapsus heb ik reeds  -- ik weet niet op welke bladzy van m'n derde bundel --  vergiffenis gevraagd. Er behoort, meen ik, te staan: putting-yzers. Ik bedoelde namelyk de schuins-lopende bouten of stangen waarmee de rust aan 't buitenboord bevestigd is. Het puttingwant bevindt zich  -- alweer: naar ik meen --  op de hoogte van mars en ra. Ik heb hier te Wiesbaden geen enkele zeeman in de buurt, en ook m'n geheugen zeilt achteruit.

(1872)

(terug)


 
...z'n uitspraak van de Latynse u
   Nu ja, wat dit betreft, had-i even goed 'n Duitser kunnen zyn. Ik neem deze gelegenheid waar om aantedringen op 't herstellen van de Latynse u in haar wezenlyke klank. De verkeerde uitspraak van deze klinker is lastig als we in aanraking komen met Duitsers, die toch in dit opzicht meer stem hebben dan de zeer onklassische Fransen. Indien we de Latynse u in haar waarde herstelden, konden we die klinker tevens gebruiken om in Hebreeuwse, Arabische en Maleise woorden de vau en wau uittedrukken. Deze taak wordt nu zeer gebrekkig vervuld door ons zonderling letterteken oe, dat inderdaad 'n verlengde o is, en waarmee geen koekkoek die op nauwkeurigheid gesteld is z'n naam spellen kan.

(1872)

(terug)


 
op de wal
   De scheepsterm is: aan wal.

(1872)

  (terug)


 
de tout à l'heure
   Waarschynlyk heeft zich de arme monnik anders uitgedrukt. Dit tout-à-l'heure namelyk, ten-onrechte gebruikt om 'n verleden ogenblik aanteduiden, is geen Italiaanse fout. Ze hoort in noordelyker streken thuis, en verraadt misschien de nationaliteit van de verhaler die  -- zoals veel Hollanders met hun woord straks --  daaraan ten-onrechte 'n dubbele betekenis schynt toetekennen.

(1872)

(terug)


 
Tubinger vrinden
   Wat is Tubingen achteruit gezeild by de loop die de begrippen namen sedert die tyd! Men heeft nu reeds moeite zich voortestellen dat, zó kort geleden nog, de meningen die zich aan de hogeschool in die stad begonnen te openbaren, konden gebruikt worden als tegenstelling van bygeloof. Ik behoef immers niet te zeggen dat het hier bedoelde Tubingen in de Ommelanden ligt?

(1872)

(terug)