IDEE 235 IDEE 237

Idee 236.


   De jonge dame viel op haar koffer en op 'n zak met beddegoed of wat er naar leek. Ze scheen zich niet bezeerd te hebben, althans ze lachte maar voort. Ook nam ze geen hulp aan van de vreemde die met z'n linkerarm weer aan de puttingyzers hing om te helpen als 't nodig wezen zou. Dit was weer 'n uitvloeisel van z'n "geloof" naar 't scheen.

   Ze was op 't dek van de Sainte-Vierge gewipt, en riep haar man, altyd lachend als 'n kind dat onstuimig vrolyk is.

   Haar vraie mer was iets als 't westerdok te Amsterdam.
   De vreemde die zy 'n Engelsman noemde  -- omdat hy 'n geruite broek droeg, waarschynlyk --  moest juist wat uitwyken voor de bagage die op dek "gehand" werd. Voor hy iets antwoordde, hoorde hy hoe 't jonge vrouwtje half binnen'smonds en wat teleurgesteld zeide:


   Onze vermeende Engelsman liet de dame in de waan dat hy haar niet verstaan had. Hy vond het pikant naar de uitbundige ontboezeming van haar vrolykheid te luisteren, zonder dat zy wist begrepen te worden.    De arme Engelsman die zo goed Frans verstond! Dat heeft men er van, onkunde voortewenden.
   Toen had hy er schik in, 't levendige vrouwtje in haar dwaling te laten. Het ergste had ze immers al gezegd: croque-mitaine, en: mager als 'n mis-ouwel! 't Is om er mager van te worden, als men 't niet al was.

   Ze zag rond naar 'n plekje waar ze dineren wilde. De vreemdeling bemerkte nu dat ze onder de zeer smaakvolle mantille iets droeg dat volstrekt niet paste by haar elegant toilet. Het was 'n blikken soldaten-menageketeltje.
   Het echtpaar ging naar 't achterdek, en nam daar plaats op 'n lattenbank.
   Maar de opmerkzame vreemde was 't niet ontgaan hoe de second van 't vaartuig 'n paar matrozen gelastte de weinige bagage der laatstaangekomen passagiers te brengen vooruit, dat is naar de plaats die men op 'n spoortrein derde klasse noemen zou.
   Derde klasse... zo'n elegant vrouwtje! En die vrolykheid? Dát moest hy doorgronden!
   Hy volgde de bagage tot ze neergezet werd vóór de watervoorrraad, in de buurt van de arme monnik die nog altyd zat te bidden op z'n zak met knoflook.
   Onze onderzoeker bemerkte nu dat de bagage van Mr. en Mad. Colineau bestond uit twee  -- ja, koffers waren 't niet! --  twee kisten waarop de naam was geschreven, maar ook niet meer dan de naam.
   Nu, dat de man Colineau heette, wist hy reeds, maar dit gaf weinig licht. Men kan Colineau heten en 'n politiek vluchteling wezen, of 'n broodbakker, of iets anders. Zo'n naam helpt niet veel. En wat-i had aangezien voor beddegoed, was wel beschouwd 'n pak onschoon linnen dat hier-en-daar heenkeek door de gaten van 'n beddetyk hulsel.
   Teleurgesteld  -- want begrypen en weten scheen hem 'n genot te wezen --  keerde hy terug naar 't achterdek, na eerst 'n matroos die aan-wal ging te hebben opgedragen hem wat kersen meetebrengen. Ik ben zeker dat men wat noordelyker nog geen kersen had op die dag, want het was nog altyd vry guur, schoon de meimaand ten-eind begon te lopen.

   Toen hy z'n kersen had ontvangen, nam hy plaats op de lattenbank naast z'n dinerende reisgenoten, of liever achter een hunner, want zy wendden 't gelaat naar 't menageketeltje dat tussen hen stond.
   Gedurende het ontwikkelen van 't middagmaal uit 'n servet, onder 't zoeken naar de enige stalen vork, en onder 't nuttigen zelfs van de witte bonen met azyn  -- want daaruit bestond het diner! --  had het jonge vrouwtje geen ogenblik opgehouden te schertsen en te dartelen. Ze spietste de haricots aan de vork, haalde die eraf met haar witte tanden, en kon haast niet slikken van 't lachen. Daarop weer reikte zy haar man de vork toe, en spotte guitachtig met z'n begeerlykheid die hem meer bonen deed aanrygen dan zy had kunnen doen toen 't haar beurt was.

   En stoeiend griste zy 'n boon weg, die naast het keteltje was neergevallen op 't servet.
   De man, die ook vrolyk scheen, maar niet zo kinderlyk uitbundig als zy, trachtte van-tyd tot-tyd haar intetomen door 'n wenk op de vreemde die achter haar zat.

   En ze stoeiden weer, en vochten byna, als kinderen om 'n witte boon. Ik kan hun vrolykheid niet beter beschryven, dan door die te vergelyken by de gekke sprongen van 'n nest jonge katten.
   Of 't nu was omdat de matroos de vreemde inderdaad meer kersen had gebracht, dan deze lust had te eten... of dat hy misschien, aangestoken door de vrolykheid, lust had in scherts en daarom 't arme vrouwtje wilde plagen met wat schrik over 't verstaan van wat ze gezegd had, of ook wellicht omdat hy wilde kennismaken met het grappig paar... genoeg, hy stond op, plaatste zich voor de dame, boog zeer beleefd, bood haar de overgebleven kersen aan, en zeide:

   En voor ze recht bekomen was van de schrik, had ze 't bord met kersen in de hand, en onze vreemdeling verwyderde zich na 'n beleefde maar vriendelyke groet. Hy voelde dat er 'n lief gemoed huisde onder dat loszinnig uiterlyk. Want of hy 'n théologien was, zoals de monnik beweerd had... zie, dit weet ik niet. Maar wat menskunde en wat wysbegeerte had-i opgedaan, vooral van de soort die niet beschreven staat in 'n boek.

    Hy had altyd stieren en koeien bekeken in de wei, en ze niet bestudeerd op 'n zóveelste van de ware grootte.. in olieverf.