IDEE 260 IDEE 262

Idee 261.


   Eene kapel zweefde hoog, hoog, in de lucht. Ze genoot haar vryheid, haar schoonheid, en vooral verlustigde zy zich in 't aanschouwen van alles wat onder haar was.
   'Komt, komt hier... hoog!' scheen ze toeteroepen aan hare zusters, die ver onder haar rondfladderden over de bloemen der aarde.
   'Wy drinken honig, en blyven beneden.'
   'O, lieve zusters, als ge wist hoe heerlyk 't is alles te overzien! Komt, komt toch!'
   'Zyn er bloemen daarboven, waaruit we honig kunnen zuigen die wy kapellen nodig hebben om de leven?'
   'Men ziet van hier al de bloemen, en dát genot...'
   'Hebt ge honig daarboven?'

   't Is waar, honig was daarboven niet!
   De arme vlinder die tegenzin had in 't wonen beneden, werd vermoeid...
   Toch trachtte zy zich óptehouden! 't Was zo schoon, vond ze, zo alles te overzien, alles te begrypen in één blik.
   Maar honig... honig? Neen, honig was er niet daarboven!
   En ze werd zwak, de arme kapel! Haar vleugelslag werd trager, ál trager. En ze zakte, en ze overzag ál minder en minder!
   Neen, 't baatte niet! Ze daalde...

   'Ei, daar komt ge,' riepen de zusters, 'wat hebben we u gezegd? Toch komt ge nu evenals wy honig zuigen uit de bloemen hier beneden. We wisten 't wel!'
   Zo riepen de zusters, verheugd omdat ze gelyk hadden, schoon ze dat slechts hadden uit gebrek aan besef van 't schone daar-boven.
   'Kom, en zuig honig als wy!'
   En de kapel daalde al lager... en wilde nog...
   Dáár was 'n bloemstruik... zou ze die kunnen bereiken?
   Ze daalde niet meer... ze viel! Ze viel naast de struik, op de weg, in 't spoor...
   En daar werd ze vertrapt door 'n ezel.



 
 
 

VOETNOOT

Toch trachtte zy zich óptehouden
   Ik bemerk dat ik hier 't woord vlinder vrouwelyk maak. De oorzaak is dat ik begon te spreken van eene kapel. Doch, voor de honderdste keer, waartoe dient dat onderscheid der geslachten van woorden? Het is in ónze taal 'n onwaarheid, en... nodeloos lastig.

(1872)