IDEE 288 IDEE 290

Idee 289.


   Mr Van Lennep, ik heb u de Havelaar niet verkocht.

   Ik heb, op uw verzoek, u 'n stuk papier gegeven, waarin ik verklaarde: dat manuscript aan u af te staan in volle eigendom "om u -- zo waren uw woorden -- in-staat te stellen een kontrakt te sluiten met een uitgever".
   In datzelfde stuk erkende ik, tevens op uw verzoek: "de volle prys daarvoor ontvangen te hebben."
   Gyzelf erkent dat ik die prys niet ontvangen had. Er was geen sprake geweest van prys, evenmin als van verkoop over 't geheel.
De hele voorstelling der zaak in uw gepubliceerde 'Brief ' is vals. Niet ik heb uw hulp gevraagd, ik had die tot de uitgave van 't boek niet nodig. Ik hád 'n uitgever. Gy hebt my laten verzoeken by u te komen.
   Zodra 't my lust, zal ik die zaak behandelen, doch  -- dit schreef ik u al --  niet voor 't my lust.
   Heb geduld, Mr Van Lennep. Bedenk dat ik andere zaken te dragen heb, die zwaarder wegen dan misbruiken in de kunstkopery. Bedenk dat ik moeite heb, vrouw en kinderen in 't leven te houden. Die zorg gaat voor, ziet ge, en ze is heel zwaar, vooral omdat ik geen kans zie myn gezin te voeden met beunhazery in bittere smart en bloedige offers van 'n ander.

  Ik heb u de Max Havelaar niet verkocht.
 



 

Idee 289a.

(In de vorige Uitgaaf als Noot gedrukt.)

   By 't korrigeren en nalezen van de drie laatste nummers, was ik gedurig in weifeling deze zaak uitvoerig toetelichten. Als altyd echter... ik heb er geen lust in. Maar ik zal er toch iets van zeggen. De helft van de winst is my  -- ná 287 --  door de heer Van Lennep uitbetaald, zynde de andere helft, gelyk volkomen billyk was, genoten door de uitgever. Doch niet hierover liep de kwestie. Het boek had terstond in goedkope editie moeten verschynen om, door 't eensklaps opwekken van de publieke opinie, de Regering te dwingen tot recht doen. Met dat doel immers was 't geschreven, en dit was ook de afspraak met de heer V.L. toen ik hem op zyn verzoek de onderhandeling met 'n uitgever opdroeg.

   Ik vertrok daarop naar Brussel, en gedurende myn afzyn veranderde V.L. van... stemming. De vrienden van Van Twist gebruikten hun tyd en invloed voorbeeldig, en dit doen ze nog. Ik maakte aanmerking op de prys van 't boek, op de weinige aankondiging, op de schrale verzending naar Indië  -- te Batavia moet honderd gulden voor 'n exemplaar betaald zyn! --  en toen ik ten-laatste m'n lastgeving opzei, beriep de heer Van.L. zich eensklaps op 't hem gezonden "bewys van eigendom." Hyzelf heeft later, in stukken die ik tonen kan, erkend dat de helft van de opbrengst my behoorde, 'tgeen onjuist wezen zou, indien ik hem 't kopierecht verkocht had. Dit laatste heeft hy dan ook nooit beweerd. In een tegen my gepubliceerde "Brief-- die ik nog thans volledig kan wederleggen: de eerste regel de beste van dat stuk is 'n onwaarheid --  vermydt hy met zorg de zinsnede: gy hebt my de Havelaar verkocht!  Deze indruk had boven-op moeten liggen in z'n gemoed, en dus  -- onwillekeurig zelfs --  telkens voor den dag komen. Juist andersom evenwel, hield hy die binnen. Dit geschiedde niet onwillekeurig, voorzeker! Want wie iets natuurlyks nalaat, moet er z'n redenen voor hebben. Nooit sprak hy 't woord uit, waarop de hele zaak neerkwam. Noch rechters, noch advokaten  -- armzalige psychologen gewoonlyk! --  hebben gelet op die betekenisvolle leemte. Wat myzelf aangaat, voor 't Hof betuigde ik kortelyk dat boek niet aan de heer Van.L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit, heb ik niet. Voor de zitting reeds ontwaarde ik dat de Voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselyk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik  -- nu eenmaal de elementen aannemende, waaruit zo'n kollegie is saamgesteld --  my verplicht te erkennen dat het Hof, na myn dédain om de zaak behoorlyk uitteleggen, niet anders beslissen kon dan 't gedaan heeft.
   Als menskundige studie zou de uiteenzetting belangryk zyn, van de redenen die de heer V.L. bewogen: "te beletten dat myn boek in kroegen en toko's gelezen werd." Aldus luiden zyn woorden in de gepubliceerde "Brief", welk stuk alzo de erkentenis inhoudt dat hy afweek van de voorwaarden waarop ik hem myn handschrift toevertrouwde. Zó schreef de man die my te-voren verzekerde: flectere si nequo superos, acheronta movebo. Nu, om die Acheron was 't me niet te doen, als m'n boek maar overal op z'n tyd te verkrygen was geweest! Men zag 't byna nooit in 'n boekwinkel. Telkens werd er uitgestrooid dat het uitverkocht was. Dit heeft jaren geduurd, en lang genoeg om 't effekt te vermoorden, waarop ik recht had, een verraad dat Nederland en Indië zeer duur te staan komt.
   't Herstel der zaken in Insulinde is gaandeweg onmogelyk geworden.

   Hoe node ik my met de geschiedenis der uitgave van de Havelaar bezighoud, acht ik 't hier de plaats zekere... beschuldiging te wederleggen, die men gretig heeft aangevat om de indruk van dat boek te verzwakken. Na de door de clique van Van Twist uitgestrooide en levendig gehouden bakerpraatjes omtrent myn karakter  -- dat men toch zo makkelyk uit Havelaar's nooit ontkende handelingen kon leren kennen! --  heeft niets my meer geschaad, dan de aanklacht van mooischryvery... 'n ongewoon vergryp waarschynlyk! Van Twist zelf gaf daartoe 't sein, door in de Kamer te praten van "des schryvers talent" waarachter hy  -- óók 'n talent waarachtig! --  z'n eerloos plichtsverzuim wegstopte.
   "Het boek is 'n roman" zegt men, en als bewys wordt aangevoerd, dat de namen van plaatsen en sommige personen niet voluit gedrukt zyn. Voor Lebak staat: "Leb." In plaats van Serang moet men genoegen nemen met "Ser..." of "S..."
   Die kinderachtige puntjes nu  -- met andere zaken; sommige, doch niet alle, van minder belang; als byv. de zevensterrige interpunktie, die beneden kritiek is; --  zyn van de korrigerende redaktie des heren Van Lennep!
   Dat ik niet in zulke puntjes doe, blykt uit alles wat later van my verscheen. Ik spel de naam van Van Twist in letters.

   Na 't verschynen van de Havelaar, zag ik wel terstond in, hoe nadelig dat ontmannen van m'n arbeid werken moest, maar nooit werd my de strekking van die coup de Jarnac zo duidelyk, als onlangs by de verschyning van de door prof. Veth, onder de titel "Insulinde" bezorgde vertaling van 't werk des Engelsen schryvers Wallace.
   Die auteur is zoöloog, entomoloog, botanist, enz. Na in die hoedanigheden 'n blauwmaandag te hebben rondgezworven in de bossen van Borneo, Celebes, Timor, en zelfs  -- doch heel eventjes maar! --  van Java, na 't uittekenen van apen, kevers, en hagedissen, achtte hy zich op-eenmaal bevoegd  -- Specialiteiten, vóór! --  tot het uitspreken van een oordeel over Indische toestanden. Hy werpt de Havelaar, dien hy 'n "vervelende en langwylige geschiedenis" noemt, mir nichts dir nichts op-zy, en verwyt me dat myn boek "slechts de strekking heeft om aantetonen dat de Nederlandse gezaghebbers de ogen sluiten voor de afpersingen der inlandse hoofden, en dat in sommige distrikten de inboorlingen moeten werken zonder betaling, en zich hun goederen zien ontnemen zonder vergoeding." (Insulinde, blz. 165) Nu, iets anders dan dit  -- en dat de Weledele heer Droogstoppel dat goedvindt --  heb ik dan ook niet willen aantonen. Het spyt me voor Mr. Wallace, dat hy 't niet genoeg vindt. Op die betuiging van ontevredenheid volgt een verdediging van 't Regeringsstelsel  -- alsof ik dat had aangetast, ik die juist aandrong op 't handhaven van de wet! -- en hy beweert dat m'n werk vooral daarom geen waarde heeft: "omdat ik geen dagtekeningen en geen byzonderheden vermeld, en de door my aangevoerde grieven alzo niet konden onderzocht worden."

   Hier zyn we alzo weer aangeland in de buurt der vernuftige puntjes des heren Van Lennep. Myn integriteit wordt gewraakt, omdat die letterkundige 't woord Lebak met één letter verkoos te spellen, en de jaartallen met stipjes!
   Het spreekt vanzelf dat die verraderlyke verminking aan de eerste uitgaaf van de Havelaar een minder vertrouwbaar voorkomen gaf, en dit schynt men die Wallace verteld te hebben, daar hy 't boek niet gelezen heeft. 't Is voor z'n apen en kevers te hopen dat ze wat minder van-horen-zeggen geportretteerd zyn, de arme dieren.
   Neen, gelezen heeft de eerlyke man 't "vervelend en langdradig" boek niet!  Want hy verstaat geen Hollands, en in de Engelse vertaling van m'n vriend Nahuys zyn de Van Lennepse puntjes behoorlyk door letters vervangen.
   De diepzinnige kritiek van Mr Wallace is dus nogal gemakkelyk te weerleggen. Men ziet echter hieruit, welk wapen de heer Van Lennep de tegenstanders van m'n arme Havelaar in handen gaf. En dit is nóg zo. De laatste uitgave van dat boek door de tegenwoordigen uitgever Schadd (1871) is even verminkt als de vorige. Die heer heeft het niet de moeite waard geacht by die uitgaaf myn hulp in te roepen, noch zelfs my daarvan kennis te geven. Ik geloof niet dat zo-iets zou kunnen plaatsvinden in 'n beschaafd land. Over de wyze waarop in 't goddienend Nederland, m'n naam, m'n arbeid, m'n denkbeelden, m'n tegenspoed, geëxploiteerd worden, zyn boekdelen te schryven. De lust om dit aan te tonen, vergaat me by 't besef dat ik 't woord richt tot 'n Publiek dat  -- "met God" waarschynlyk --  party-trekt voor schelmery.