Wietske Brouwer

Herdersliederen in de zeventiende eeuw

 

Inhoud

 

Inleiding

Het manuscript Verscheide gedichten. Bestaande in: Minne, Lof- en Eer-Rymen, Bruilofs-Dichten, Sonnetten, Lijk- en Graf-Dichten, Mengel-Rijm en Sangen (Amsterdam, 1650) van Nikolaas Seep is een verzameling van verschillende soorten gedichten. Deze zijn naar genre ingedeeld. Op bladzijde 93-156 vinden we de ‘Harders Minnezangen’, oftewel herdersgedichten. Hieronder zal ik dieper ingaan op wat dit genre inhoudt en welke subgenres er zijn. Ook zal ik enkele voorbeelden van herdersliederen geven.Vervolgens behandel ik de herdersliederen van Nikolaas Seep.

 

De pastorale

Het genre van de herdersliederen en -dichten wordt pastorale literatuur genoemd (Latijn pastoralis = herderlijk).[1] In dit genre staat de liefde voor het platteland centraal. De nadruk wordt gelegd op de vredigheid van het landleven en de liefde tussen herders en herderinnen.

De natuur die bezongen wordt, is vredig, ongerept en van een ongekende schoonheid. Het landschap wordt vergeleken met Arkadia, een landschap op de Peloponnesus dat als paradijselijk werd voorgesteld.[2] Vandaar dat dit genre ook wel ‘arcadische literatuur’ wordt genoemd. Een andere term, verwijzend naar de zorg voor het vee van de herders, is ‘bucolische literatuur’ (Grieks boukolos = het vee hoedend).[3]

De term pastorale slaat niet alleen op gedichten of liederen, ook herdersromans en toneelstukken vallen eronder. Ook is er een muziekgenre uit ontstaan: pastorale muziek, gewoonlijk in 6/8 maat gezette muziek voor liederen, vaak gebruikt bij kerstmissen.[4]

 

Geschiedenis van de pastorale

De pastorale stamt uit de oudheid. De Griekse auteur Theocritus verheerlijkte het landleven al. Wat de Romeinse auteurs betreft zijn er drie belangrijke grondleggers voor het pastorale genre: Vergilius, Ovidius en Horatius.[5] Vergilius’ Bucolica, dat bestaat uit tien herderszangen, speelt zich af in een idyllische omgeving. Toch verwijst hij steeds naar de actualiteit, iets wat in de zeventiende eeuw in dit genre ook vaak voorkomt.[6] Ovidius’ Metamorfosen vertellen over de ondergang van de wereld doordat de cultuur de natuur verdringt. De natuur wordt verheerlijkt: dankzij haar kracht zal een nieuwe wereld ontstaan. Het thema van Horatius’ Beatus Ille is kort gezegd dat je niet gelukkig kan zijn zolang je te dicht bij de stad woont.

Deze drie klassieke voorbeelden werden in Frankrijk en met name in Italië veel nagevolgd. Petrarca (1304-1375) en Boccaccio (1313-1375) schreven hun ‘ecloghe’, de Italiaanse benaming voor het herderslied, in het Latijn. Later volgde een overgang naar de Italiaanstalige pastorale.[7] Hoogtepunten van de Italiaanse pastorale werken uit die tijd zijn Tasso’s Aminta (1573) en Guarini’s Il Pastor Fido (1589), beide toneelstukken. Dit soort stukken was niet alleen populair vanwege het onderwerp, maar ook door de zang- en dansscènes die ze bevatten en de licht- en vuurwerkeffecten tijdens de uitvoeringen. Naast de verheerlijking van het landleven speelt ook de tegenstelling tussen volk en hof een grote rol in deze stukken.[8]

 

De pastorale in de Nederlandse letterkunde

In Nederland was het pastorale genre in eerste instantie onbekend. In de zeventiende eeuw leerden auteurs als Hooft en Vondel de Italiaanse pastorale werken kennen en gebruikten deze als inspiratie voor eigen pastorale stukken, respectievelijk Granida en Leeuwendalers.[9] Met name in het eerste bedrijf van Granida zijn invloeden van Il Pastor Fido terug te vinden. Niet alleen deze stukken zullen inspiratie zijn geweest, maar ook andere herderlijke liefdesnovellen en Franse liedjes.[10] Het genre was dus nieuw in de Nederlandse letterkunde, maar het werd al snel populair. Onder andere Daniel Heinsius, Jacob Cats en later Jan Luyken schreven pastorale gedichten. Het meest productief in dit genre was Jan Harmensz. Krul.

Ook verschenen er steeds meer herdersliederen in de volkse liedboekjes die in de zeventiende eeuw bij honderden werden uitgegeven. Deze, vaak anonieme, liedboeken zijn een typisch genre voor de zeventiende eeuw. Er waren geestelijke en wereldlijke liedboekjes. De laatste dienden ter amusement maar konden ook politieke situaties onder de loep nemen. De liedboekjes waren met name gericht op een jong publiek, dat vaak op vrijersvoeten was.[11] De inhoud van de boekjes bestond uit een mengeling van kluchtige liefdesliederen, boertige samenspraken, kermis- en drinkliedjes, moralistische, mythologische, bijbelse en lokale liederen, liederen in het dialect en in het Frans.[12] De amoureuze pastorale liedjes pasten hier perfect tussen.

 

Algemene kenmerken van de pastorale poëzie

Hoewel er verschillende soorten herdersdichten bestaan, die ik later zal beschrijven, is er een aantal kenmerken dat in bijna elk pastoraal werk terugkeert.

De hoofdpersonen in de herdersdichten, de herder en de herderin, dragen vaak klassieke bucolische namen of namen uit de Frans-Italiaanse pastorale traditie,[13] zoals Thyrsis, Menalcas of Coridon. Zij bevinden zich in een mooie, rustige plattelandsomgeving. De schapen zelf dienen vaak alleen als decor of komen terloops ter sprake. In dit citaat dienen ze bijvoorbeeld als excuus van een herderin om een opdringerige jonkheer af te weren: [14]

 

Herderin.

Mijn Schaepjens sal ick verlaten niet,

die gijder in ’t Velt daer weyden siet,

Want al mijn hartjes vermaecken,

Dat is by haer in ’t velt,

Mijn Lammeren moet ick waeken,

Zy loopen daer ongetelt.

 

Ioncker.

Schoon liefje later u Lammerkes staen,

Laetse eens aen der heyde gaen,

Een Kroontje moet gyder noch dragen,

Van fijn Ducate Gout*, *goudsoort

En ryen in een Koets-wagen,

Verlaten dat groene-woudt.

Over het zware herderswerk wordt niet of nauwelijks gesproken. Wel wordt er soms verwezen naar een aantal standaardattributen van de herder, zoals de staf van hazelaarshout, een jak van linnen of wol, en muziekinstrumenten als de fluit en de doedelzak.[15]

De thematiek van de pastorale is hierboven aan de orde geweest. Behalve de verheerlijking van het platteland is er vaak liefde in het spel. Een herder wil een herderin verleiden, of de herder en herderin als paar dienen als voorbeeld voor de echte, pure liefde. De liederen zijn dan ook, zoals hierboven, vaak in een dialoogvorm opgesteld.

 

Soorten herdersliederen

Bij het bestuderen van de herdersliederen en hun thematiek, onderscheidde ik drie subgenre’s binnen de pastorale poëzie. Hieronder zal ik deze bespreken. Vanzelfsprekend kan een pastoraal werk ook meer van deze elementen bevatten.

De idyllische herder

Allereerst zijn er de liederen met het klassieke thema van het verheerlijken van de natuur en het plattelandsleven, dat al in Horatius’ Beatus Ille een grote rol speelde. Dit verheerlijken van de natuur is ook te zien in de vele meiliederen in de liedboekjes. Dat de liefde hierbij niet geheel achter kan blijven, blijkt uit de inleiding van een Meilied uit het Nieuwe Princesse Liedt-Boeck:

 

Mey de Moeder van de Bloemen,

Mey die men een vreught moet noemen,

Mey die geeft het geurigh Kruyt,

Mey die Gras en Lover* Spruyt. *gebladerte, groen

Mey die ’t Aertrijck doet ontdooyen

Ende Menschen mee ontplooyen

Van haer kout en grilligh Bloet,

En met soete Minne voet,

Als hier Cloris zijn Leade

Met de groene Mey haer Blade

Hier verziert, siet hoe hy lonckt

Want de Mey zijn Hert ontfonckt. [16]

 

De wijze herder

De figuur van de wijze herder is gebaseerd op de klassieke en met name de bijbelse herder. De wijze herder treedt vooral in de pastorale drama’s op. Hij vertegenwoordigt een samenleving waarin iedereen vredig samenleeft. Zo functioneert hij als moreel leidsman, die je helpt een goed, natuurlijk leven te leiden. Ook weet hij alles over de natuur en onderwijst daarin.[17]

Godsdienst speelt hierin een grote rol, het draait niet alleen om de liefde voor elkaar maar ook om de liefde voor God. Jacobus Revius maakte op de melodie van een lied van de herder Daiphilo uit Hoofts Granida een lied waarin hij als één van de herders van Bethlehem Gods geboorte bezingt.[18] Het is niet alleen pastoraal doordat hij als herder zingt, maar ook door de keuze om de melodie van een bestaand pastoraal liedje te gebruiken.[19]

 

Windeken wt het paradijs

Op mijn pijpken blaest den prijs* *roem

Van Gods Sone

Dat ick tone

Door de bosschen, voor het wilt

Tkindeken daer de doot voor trilt.

 

De verliefde herder

Veel liedjes in de nieuwe liedboeken gaan over de verliefde herder die de liefde aan een herderin verklaart en probeert haar voor zich te winnen. Variaties hierop zijn de liederen waarin twee herders wedijveren om één herderin of liederen waarin een jonkheer een herderin probeert te verleiden. De liedjes zijn kluchtig, hoewel de mate van kluchtigheid kan variëren.

Niet zelden hebben de liedjes een erotische lading. Smits-Veldt spreekt van "petrarkisch-erotische liedjes die in de vrije natuur gesitueerd waren".[20] Vooral de minnende herders van Krul zijn vaak uit op erotische avontuurtjes en gefixeerd op blote boezems.[21]

De herderin probeert bijna altijd de herder af te weren om zo haar kuisheid veilig te stellen. Deze Amarallis echter geeft, weliswaar na een lange bede van haar minnaar, toe:

 

Amaril aen haer Minnaer

 

Kom hier mijn waerde Lief, kom hier!

Indien by u noch is dat Minne-vier*, *minnevuur

Dat soo te branden placht in desen schoot:

Ach! sonder u is Amarillis doot.

Kom dan mijn Ganimedes* kom, *mythologisch figuur, bekend als mooiste

O Roover van mijn kuysse Maegdeblom jongeling op aarde

Ach gunt my dat ick u omhels en Kus,

En door u vlamme oock de mijne blus. [22]

 

Het gelegenheidsgedicht

Ook veel gelegenheidsgedichten kregen een pastorale invulling. Dit paste binnen elk bovengenoemd genre. Zo heeft Huygens in De uytlandighe herder (1622) uiting gegeven aan zijn zorgen over het beleg van Bergen op Zoom.[23] Maar ook een liefdesverklaring in de vorm van een pastoraal gedicht deed het waarschijnlijk goed.

 

Herdersliederen bij Seep

In het manuscript Seep staan ongeveer 65 herdersliederen.[24] De liederen voldoen aan de kenmerken van pastorale poëzie zoals die hierboven beschreven zijn. Ze spelen zich af in de natuur, en ook zijn er klassieke namen gekozen. In het May-liet op bladzijde 96 wordt bijvoorbeeld een ruim scala aan herdersnamen en -paren genoemd: [25] Thirsus en Lerint, Coridon en Laura, Tijter en Amarillis, Cephalis en Phillis, Sirona, Rosimont, Gruselle, Galate. Veel van deze namen en paren komen ook voor in andere herdersliederen van Seep.

Liefdesliederen

In het May-liet is de verheerlijking van de natuur terug te vinden, het kenmerk van het idyllische herderslied. Maar de liefde speelt in het lied de grootste rol en dat is verder in alle herdersliederen van Seep het geval. De wijze herder vinden we bij hem helemaal niet terug.

Het grootste deel van de liederen is vanuit de verliefde herder geschreven, in monoloog dus. Ook schreef Seep een aantal samenspraken tussen een herder en een herderin. De Pastorel op bladzijde 99 is een voorbeeld. Hierin probeert de herder Tyter aan de herderin Philida te ontfutselen op wie ze nou verliefd is.

Seeps liederen zijn niet allemaal even serieus. Hij gaf de liedjes af en toen een kluchtige draai. Voorbeelden hiervan zijn de Boertige Vrijagie op bladzijde 124 en Boere Deuntie op bladzijde 153. Het lied op bladzijde 131 is een stuk serieuzer. Hierin vindt een herder het verstandig als hij zijn Rosimont even niet ziet, omdat hij bijna letterlijk in vuur en vlam staat door haar. Als ze eenmaal weg is, beseft hij dat het een nog grotere kwelling is om haar te missen.

 

Wijsaanduidingen

Het hiervoor genoemde lied heeft geen titel, maar wel een wijsaanduiding. Er staat boven: "Stemme: Koridon lag neer gedoocken". Deze aanduiding was voor de zeventiende-eeuwers genoeg om te weten op welke melodie het lied gezongen moest worden. De hier genoemde melodie was vrij bekend en kwam onder veel verschillende benamingen voor. Ze was al eerder bij een herderslied voorgekomen, genaamd "Philis quam Philander tegen". Deze eerste regel komt later weer als wijsaanduiding voor.[26] De melodie wordt met een andere naam door Seep voor nog een ander lied gebruikt. Dit is het lied op bladzijde 122, waar we de volgende wijsaanduiding zien: "Stemme: Rosimont die lag gedoocken".

Een zeer bekende en geliefde melodie in die tijd was "Polofemus aen de strande". Seep gebruikt deze oorspronkelijk Franse melodie enkele keren, bijvoorbeeld op bladzijde 115 en 139.[27] Ook "Verheft u diep gesucht" is een melodie die Seep vaak en waarschijnlijk dus graag gebruikte.

De vluchtende Amaril op bladzijde 143 is het enige lied zonder wijsaanduiding in dit gedeelte van het manuscript. Ook Silviaes Jalouzy op bladzijde 108 is uniek: hier worden binnen één lied zeven verschillende wijsaanduidingen gegeven.

Afwijkende liederen

Een van de schaarse dialoog-liederen ("t’samenspraken") is een apart geval. Het gaat om de Herderinne ‘t samen gesang tusschen Amerillis en Rosimont op bladzijde 128.[28] Dit is geen dialoog tussen een herder en een herderin, maar, zoals de titel als zegt, tussen twee herderinnen. In dit lied probeert Amarillis van Rosimont te weten te komen of ze nou verliefd is op Tijter of niet. De toon van het gesprek is heel beleefd, maar tussen de regels door is het venijn duidelijk te voelen!

Het Jacht liet op bladzijde 118 wijkt ook af van de overige liederen. Het is een liefdeslied en de natuur wordt ook wel enigszins verheerlijkt, maar een herderslied is het niet.

Enkele liederen bevatten autobiografische informatie. Het duidelijkst is dat te zien in het eerder besproken lied op bladzijde 122. Hierin noemt Seep zijn toekomstige vrouw, Elisabeth Sloot, bij naam:

 

ick die heden ben leander* *minnaar van Griekse priesteres Hero, die elke nacht

doel na mijne morgenroot de Hellespont over zwom om bij haar te zijn en daar

na mijn beijtie, na geen ander uiteindelijk bij verdronk

dan na mijn beminde Sloot

na mijn lief Elisabet

die mijn in minne baren zet.

 

Conclusie

Seep’s herdersliederen voldoen aan de vorm van het klassieke amoureuze herdersdicht. De meeste liederen zijn liefdesverklaringen. Af en toe zijn de liederen kluchtig. In de liederen zijn veel algemene kenmerken van het herderslied te vinden, zoals de verheerlijking van de natuur en de keuze voor klassieke namen. Ook kiest hij bekende melodieën die al eerder voor herdersliederen zijn gebruikt, zoals "Koridon lag neer gedoocken". Uitzonderlijk is dat het grootste deel van de liederen in monoloog gesteld is, terwijl de meeste herdersliederen vaak dialogen zijn. Seep was origineel met zijn samenspraak tussen twee herderinnen en hij voegt. hier en daar een autobiografisch tintje toe.

 

Literatuur

Primaire literatuur

Seep, Nikolaas

1650    Verscheide gedichten. Bestaande in: Minne, Lof- en Eer-Rymen, Bruilofs-Dichten, Sonnetten, Lijk- en Graf-Dichten, Mengel-Rijm en Sangen. UB Amsterdam: hs. (geen signatuur)

Anoniem

1681    Het Nieuwe Princesse Liedt-Boeck of het Haeghse Spelde-kussentje. Amsterdam, dr. Weduwe van Michiel de Groot en Gijsbert de Groot.

Secundaire literatuur

Geerts, G en T. den Boon (hoofdred.)

1999    Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Utrecht–Antwerpen, Van Dale Lexicografie

Gorp, Hendrik van (e.a.)

1998            Lexicon van literaire termen. Zevende, herziene druk. Groningen, Wolters Nijhoff

Graves, Robert

1999            Griekse mythen. Houten, De Haan/Unieboek bv

Grijp, L.P.

1991    Het Nederlandse lied in de Gouden eeuw: het mechanisme van de contrafactuur. Amsterdam, P.J. Meertensinstituut.

Grijp, L.P.

1996    ‘Voer voor zanggrage kopjes. Wie zongen uit de liedboekjes in de Gouden Eeuw?’ In: Th. Bijvoet e.a. (red.), Bladeren in andermans hoofd. Over lezers en leescultuur. Nijmegen, p. 96-125

Hooft, P.C.

1998            Granida. Spel. Met inleiding en aantekeningen door Lia van Gemert. Amsterdam, University Press

Luyken, J.

1996    Duytse Lier. Met inleiding en aantekeningen door A.J. Gelderblom, A.N. Paasman en J.W. Steenbeek. Amsterdam, University Press.

Smits-Veldt, Mieke B.

1989    ‘De wijze herder. Morele instructie in zeventiende-eeuwse Nederlandse pastorale poëzie’ In: De nieuwe Taalgids 82 (1989), p. 385-401

Smits-Veldt, Mieke B. en Hans Luijten

1993            ‘Nederlandse pastorale poëzie in de zeventiende eeuw: verliefde en wijze herders’ In: P. van den Brink en J. de Meyere (red.), Het Gedroomde Land. Pastorale schilderkunst in de Gouden Eeuw. Zwolle, p. 58-75

Strien, Ton van (red.)

1997            Hollantsche Parnas. Nederlandse gedichten in de zeventiende eeuw. Amsterdam, University Press

Veldhorst, N.

1999    De Haarlemse Bloempjes. Bloemlezing uit een zeventiende-eeuwse liedboekenreeks. Haarlem, Uitgeverij Arcadia

Verkuyl, P.E.L.

1971            Battista Guarini’s ‘Il Pastor Fido’ in de Nederlandse dramatische literatuur. Assen,  Van gorcum

Vries, Willemien de

1993    ‘Poëzie van het buitenleven’. In: M.A. Schenkeveld - Van der Dussen (red.), Nederlandse literatuur. Een geschiedenis. Groningen, p. 237-242.

Digitale bronnen

www.dbnl.nl

CD Rom Woordenboek der Nederlandsche Taal

 

Noten

[1] Zie: Van Gorp – Lexicon van literaire termen

[2] Geerts, p. 224 (dl. I)

[3] Definities: Van Gorp, p. 329

[4] Geerts,  p. 2509 (dl. II)

[5] Hooft, p. 5-6

[6] Van Gorp, p. 329

[7] Verkuyl, p. 11-12

[8] Hooft, p. 5

[9] Verkuyl, p. 1

[10] Hooft, p. 5

[11] Grijp 1996, p. 96

[12] Veldhorst, p. 17

[13] Smits-Veldt 1989 p. 385, De Vries, p. 238

[14] Uit: Het Nieuwe Princesse Liedt-boeck, 1681, p. 26

[15] Smits-Veldt en Luijten 1993, p. 59

[16] Uit: Het Nieuwe Princesse liedt-Boeck, 1681, p. 41

[17] De Vries, p. 238 en Smits-Veldt, p. 392

[18] Fragment afkomstig uit smits-Veldt 1989, p. 392

[19] Zie Grijp 1991 voor uitleg over de contrafactuur, het systeem om bestaande melodieën te gebruiken voor nieuwe liedjes.

[20] Smits-Veldt 1989, p. 385

[21] Smits-veldt en Luijten, p. 60

[22] Uit: Het nieuwe Princesse Liedt-Boeck, 1681, p. 72

[23] De Vries, p. 238

[24] Seep 1650, p. 93-156

[25] Voor de volledige tekst met woordverklaringen verwijs ik naar het gedeelte ‘transcripties’ op deze site.

[26] Veldhorst, p 84. Zie ook noot 19

[27] Veldhorst, p. 84-85. De muzieknotatie bij de melodieën ‘Philis quam Philander tegen’ en ‘Poliphemaus aande strande’ zijn te vinden in Veldhorst, resp. p. 48 en 53

[28] niet getranscribeerd