WYTZE GERBENS HELLINGA ALS NAOORLOGS VERNIEUWER VAN DE GEESTESWETENSCHAPPEN

 

Herman Pleij,

Universiteit van Amsterdam

 

 

taalkunde met een nieuw gezicht

 

Wytze Gerbens Hellinga (1908-1985), begonnen in 1946 als hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de toenmalige Gemeente-Universiteit van Amsterdam, kan goed dienen als exponent van de vernieuwingen in de geesteswetenschappen na de Tweede Wereldoorlog. Van huis uit neerlandicus, met tevens een onderwijsbevoegdheid in de geschiedenis, ontwikkelde hij zich al snel tot tekstwetenschapper, die gedurende enkele decennia vrijwel geen enkele discipline in de alfasfeer ongemoeid liet. Zelf noemde hij zich het liefst (neo)filoloog, totdat hij deze betiteling inruilde voor die van (analytisch) bibliograaf en incunabulist. Maar in feite is hij altijd de filoloog gebleven, welke rol hem van meet af aan het meest vertrouwd was en die als vanzelf ook naar de bestudering van de vroegste typografie voerde. De filoloog stelde zich immers ten doel om teksten in hun meest oorspronkelijke vorm te bestuderen evenals de wederwaardigheden tijdens hun transport in gesproken, geschreven en gedrukte vorm, en tevens om ze te interpreteren op grond van betekenisverleningen in de tijd van ontstaan en in die van latere bronnen. [1]

         

Als leerling van de Amsterdamse taalkundige A. Verdenius aanvaardde hij zijn leerstoel met weinig wetenschappelijk verleden – een proefschrift uit 1938 - , maar wel meteen met het nodige prestige. Hij had een verzetsverleden, verkeerde in literaire kringen, schreef ook zelf en was bovendien opgetreden als uitgever van een clandestiene pers tijdens de bezetting. Maar als onderzoeker, slechts met lichte ervaring in het voortgezet onderwijs in Nederlands en Geschiedenis, kon hij niet anders dan een beginneling heten, ook en juist in de taalkunde - zijn weliswaar bewonderde proefschrift behandelde nogal marginale problematiek rond klank– en uitspraakproblemen van de moedertaal in de zeventiende eeuw. Als men hem dan ook op grond van die vooral elders opgebouwde reputatie tevens colleges Algemene Taalwetenschap wil laten geven, protesteert de gerenommeerde linguïst A.W. de Groot zonder enig voorbehoud: ‘De algemene taalwetenschap is beslist niet zijn vak’. [2]

         

Inmiddels was Hellinga al meteen vliegend van start gegaan met zijn principieel tekstgerichte benaderingen van alles wat letteren en wijsbegeerte bewoog, zonder enig ontzag voor traditionele disciplinegrenzen. Ook naar periode specialiseerde hij zich niet weg, want hij beschouwde de hele moedertaalontwikkeling vanaf de Middeleeuwen tot aan zijn eigen tijd als zijn werkterrein – alleen voor de klassieke oudheid toonde hij een diepe eerbied die hem op afstand hield, vooral omdat hij met een levenslang door hemzelf  betreurd gebrek aan meer dan rudimentaire kennis van het Latijn moest leven. Niettemin maakte hij op zeer uiteenlopende gebieden gedurfde en zeker ook provocerende openingen, doorgaans in het kader van grootscheepse, veeljarige projecten die door hemzelf met het nodige aplomb werden opgezet en aangekondigd. Dat gebeurde op congressen en in lezingen, met een spin-off van talrijke artikelen van beperkte omvang, beide in zowel geleerde kringen als meer literaire en algemeen culturele omgevingen. [3]

         

Kenmerkend voor zowel die publicaties als de lezingen zijn de geniale of door hemzelf als geniaal gepresenteerde vondsten en visies, die in elk geval de bestaande vaktradities per implicatie of heel openlijk uitdaagden en niet zelden ridiculiseerden zo niet schoffeerden. In menige discipline moest het geheel anders, liet Hellinga aan de hand van een enkel voorbeeld weten, om daarna steevast een immens project aan te kondigen dat de bedoelde heroriëntering zou gaan realiseren.

         

Daar is het alleen maar weinig van gekomen. Althans, in de zin die hem voor ogen stond. Hellinga blijft de man van de veelbelovende artikeltjes en de grootscheepse strandingen nadien. Pas in het kader van de boekwetenschap, en vooral in dat van de incunabelkunde die zich op de vroegste typografie richt (voor 1501), verschijnen er indrukwekkende handboeken, repertoria en catalogi, maar daarin heeft zijn latere echtgenote Lotte Hellinga–Querido minstens een even zwaar aandeel en waarschijnlijk zelfs de zwaarste hand. [4] Daardoor is Hellinga een grote onbekende gebleven in de naoorlogse wetenschapsgeschiedenis, terwijl hij het potentieel had – niet helemaal met de pen van een Huizinga, ook en juist als cultuurhistoricus. Die overtreft hij zeker met de talrijke vernieuwingen, die zijn brutale openingen op den duur in taal, letteren en geschiedenis hebben bewerkstelligd.

         

Toch zijn de getuigenissen daarvan moeilijk op te sporen. Ze leven vooral voort in collegedictaten en een ‘oral history’ die nog steeds voortwoedt onder vakgenoten, leerlingen en oud-studenten in het algemeen. Daarbij speelt ook mee dat zijn blazoen besmeurd raakte door de talrijke, hoog oplopende conflicten, die zijn manier van optreden leek te vereisen. Binnen en buiten de collegezaal betrok hij voortdurend principieel wetenschappelijke stellingen, die hij tot het uiterste wenste te verdedigen. In die strijd konden studenten en medewerkers meedogenloos worden opgeofferd, immers de zaak van de wetenschap ging altijd voor. Hij is in zulke hoedanigheden zelfs te herkennen in een romanpersonage, ontworpen door zijn oud-leerling J.J. Voskuil. Deze presenteert in zijn eerste roman Bij nader inzien (1963) een weinig sympathiek portret van de hoogleraar Springvloed als een arrogante, met veel geleerdheid schermende docent die zijn studenten prikkelt tot voortdurende tegenspraak, maar daarbij slecht tegen zijn verlies kan. Voskuil bevestigde zelf in een interview dat hij hiermee Hellinga op het oog had, maar achteraf de hardheid van het portret enigszins betreurde. Diens colleges waren toch, moest hij toegeven, een uitstekende ‘opleiding in denken’. [5]

         

Waarmee trad Hellinga dan allemaal naar buiten? Zijn beginselvaste demonstraties en provocaties beslaan thans het terrein van meer dan tien leerstoelen. Zo presenteert hij zich in publicaties als deelnemer en deskundige (een enkele keer in spe) in het veld van de fonologie, dialectgeografie, uitspraakleer, sociale taalkunde, taalkundige stilistiek, doventaal, close reading, creolisering in de West, semiotiek, filologie, historische tekstinterpretatie, codicologie, analytische bibliografie, teksteditie, incunabulistiek, typenleer. Daar zat de al aangegeven lijn in van een centrale gerichtheid op teksten en hun transport, een als zodanig niet te benoemen discipline die hij later nog moeizaam probeerde te vangen in de leerstoelomschrijving ‘Nederlandse Taalkunde, in het bijzonder de geschiedenis van de Nederlandse taal en de filologische hulpwetenschappen’. [6]

         

In de latere omschrijvingen van zijn vak en leerstoelen komt de (neo)filologie steeds prominenter in beeld. Triomfantelijk stelde hij bij herhaling vast, dat hij het oudste vak aan de Amsterdamse universiteit bedreef en eigenlijk dat van alle universiteiten ooit. Vossius en Barlaeus waren in 1632 immers in hun hoedanigheid als filoloog aangesteld aan het Athenaeum Illustre, waarmee de theologie als traditionele basisdiscipline werd genegeerd. En terecht, vond Hellinga, want was de theologie niet volkomen afhankelijk van de interpretatie van de bijbel en het vaststellen van de meest oorspronkelijke lezing daarvan? Met recht mocht de filologie de moeder van alle wetenschappen heten. En het was aan hem om te demonstreren hoe deze vervolgens elk vak diende te beheersen. [7]

         

Met dergelijke legitimaties bleef hij vrijelijk over alle vakgrenzen heen springen, die hij in eerste instantie zijn medewerkers en studenten voorhield. Slechts zeer geleidelijk zouden de allerbesten onder hen zich tot neofiloloog kunnen ontwikkelen, eerst had men jarenlang het handwerk te beoefenen binnen de meest obscure deelspecialismen. Velen moesten dan ook afvallen, tot aan hoogst bekwame medewerkers met vaste aanstellingen toe. Slechts voor een enkele was ten slotte de vrijplaats van de ware wetenschap te bereiken, die als geleerdenparadijs totaal ontzondigde en dus tot alles uitnodigde – en daar resideerde hij al sinds zijn benoeming tot hoogleraar, in het gezelschap van enkele uitverkoren leerlingen en een doodenkele door hem bewonderde collega zoals de boekhistorica Marie Kronenberg en de keltologe Maartje Draak.

         

Deze streng hiërarchische opvatting over scholing in wetenschapsbeoefening bepaalde ook de samenstelling van zijn staf. Krachtens hun positie daarin waren de leden gespecialiseerde goden in opleiding, met alle kans om halverwege de hellingen van de Parnassus – soms al eerder - uit te glijden of pootje gelicht te worden. Onder hen bevonden zich een archiefdeskundige, een historicus, een kunsthistoricus, een Frisist, diverse neolatinisten, een dialectoloog en specialisten in de sociale taalkunde en het Zuid-Afrikaans. Maar vooralsnog bleef hij de enige die verbanden kon en mocht leggen. En aangezien die steeds weer hoogst verrassend uitpakten, hielden zijn claims op wat ware (tekst)wetenschap was en hoe weinigen werkelijk aan de eisen daarvan konden voldoen, langdurig stand.

         

Zo komt hij in 1956 met een boekje over Rembrandts Nachtwacht, waarmee zowel kunst - als literatuurhistorici nog steeds weinig raad weten, om het daarom maar te negeren. Ten onrechte. Bezig in die tijd met Vondels Gysbreght van Aemstel (gespeeld vanaf 1638) waarvan hij een ultieme editie met commentaar wil bezorgen – lang na zijn dood in aanzienlijk bescheidener maar realistischer vorm op de markt gebracht door zijn oud-leerling Mieke Smits-Veldt – stuit hij op rekeningen van contemporaine opvoeringen in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Daarin worden ook personen betaald die kennelijk tot de figuratie behoorden, want ze zijn niet terug te vinden onder de spelende personages. Hellinga komt dan tot de brutale veronderstelling, dat deze te herkennen zijn op de Nachtwacht van 1642. En hij concludeert, dat Rembrandt bij de realisering van de opdracht om een schuttersgezelschap te schilderen de openingsscène van de Gysbreht van Aemstel voor ogen had. Kennelijk is het zo moeilijk om zich los te maken van deze even intrigerende als dwingend gebrachte suggestie, links en rechts omkleed met (quasi?-)argumenten en nog veel meer gegevens uit de contemporaine literatuur en beeldende kunst, dat substantiële weerleggingen evenzeer uitbleven als instemmende geluiden. [8]

 

 

meer methodoloog dan theoreticus

 

Bij dat alles manifesteerde Hellinga zich steeds als uitgesproken methodoloog, niet of nauwelijks als theoreticus. Zijn reflectie stond in dienst van het veldwerk, hij wilde altijd met het materiaal in handen aan de slag. Maar over de juiste stappen daarbij placht hij eindeloos uit te weiden aan de hand van een enkel voorbeeld. Deze houding valt van meet af aan in zijn carrière te herkennen. Het aanvankelijk taalkundige onderzoek leidde al snel naar pragmatische toepassingen en het meten van de effecten daarvan. Zo ontstond zijn belangstelling voor doventaal en taalstoornissen van pathologische aard, en ook de creoliseringsverschijnselen in het taalgebruik van de toenmalige koloniën in de West. Maar die houding nam hij evenzeer aan bij de benadering van literaire teksten uit heden en verleden. Toen hij aan het begin van de jaren vijftig werkte aan een even principieel als omstandig en in feite onmogelijk totaalcommentaar op de Middelnederlandse Reynaert, organiseerde hij een fietstocht met gevorderde studenten. Op het spoor van Reynaert en de auteur Jacob van Maerlant (die moest van de tekst geweten hebben) werden de vermoedelijke geboortestreek van de laatste bij Brugge bezocht, een middeleeuwse schuur bij Lissewege en de ruïnes van de abdij Ter Doest. Alleen door de confrontatie met deze toepasselijk geachte ‘lieux-de-mémoire’ kon men zich werkelijk leren verplaatsen in de wereld van de Reynaert, een absolute voorwaarde om een adequate interpretatie tot stand te brengen. [9]

         

Zijn in wezen pragmatische opstelling, hoe vol van reflectie ook, verhinderde hem de theoretische vernieuwingen binnen de moderne linguïstiek naar waarde te schatten. Dat gold met name voor de generatieve taalkunde van Noam Chomsky, die de wereld veroverde maar aan de Amsterdamse universiteit op subversieve wijze moest worden ingevoerd. De jonge Taalkundestaf, alleen aangetrokken om onderwijs te geven in de zojuist gestarte universitaire MO-opleiding – door Hellinga met diepe afschuw begroet als kweekschool voor tweederangs neerlandici -, profiteerde van zijn gebrek aan belangstelling door heimelijk en aan de hand van gekopieerde studieboeken deze revolutie in de taalkunde te onderwijzen. Maar de reguliere doctoraalstudenten was enige scholing hierin volstrekt ontzegd. Mede hierom staat Hellinga uitgerekend in de taalkunde, het vak waarin hij werd aangesteld, niet bekend als baanbrekend wetenschapper of anderszins verdienstelijk onderzoeker. In een recent, zeer gedetailleerd overzicht van de linguïstiek in Nederland vanaf 1900 ontbreekt zelfs zijn naam. [10]

         

De ongedurigheid straalde in elk opzicht van hem af. Aanvankelijk maakte het telkens weer opzetten en aanbieden van weidse onderzoeksprojecten diepe indruk. Zelfs het steeds weer mislukken daarvan bezorgde hem een zeker aanzien. Kennelijk stelde Hellinga zeer hoge eisen aan zichzelf en zijn omgeving, en wilde hij alleen met de uiterste perfectie genoegen nemen. In ieder geval werd daarmee het prestige van het onderzoek in de letteren sterk vergroot. Hellinga plaatste de strijd voor erkenning van de wetenschappelijkheid van het academische letterenbedrijf hoog in zijn vaandel. Om daarin meteen succes te boeken was het zaak niet alleen de methoden, maar ook de organisatie van de natuurwetenschappen over te nemen. Projecten van langere duur waaraan onderzoekers met uiteenlopende specialismen deelnamen, assistenten en heel nadrukkelijk ook uitverkoren studenten waren nauwelijks bekend in de geesteswetenschappen. Onderzoek deed men op strikt individuele basis, bij voorkeur thuis in de eigen werkkamer. Men hoefde daarvoor niet speciaal aan een universiteit verbonden te zijn, veel leraren toonden zich in hun vrije tijd ook opmerkelijk actief. Daardoor was de dissertatie niet zozeer een proeve van bekwaamheid aan het begin van een wetenschappelijke carrière, maar veeleer de bekroning van een levenswerk, in het verlengde van of met uitzicht op een welverdiend pensioen.

         

Die situatie heeft Hellinga geprofessionaliseerd naar het model van de bêta-wetenschappen. Maar zelf bracht hij allerminst het geduld op om na de opwindingen rond de eerste verkenningen van het te ondernemen onderzoek koelbloedig de opgezette strategie uit te voeren. Liever zocht hij steeds weer de nieuwe opwinding van een volgend project. Zo zijn er onderzoeksprojecten geweest rond de Reynaert, het Oera Linda boek, Vondels Gysbreght van Aemstel, het oude bezit van de Haarlemse Stadsbibliotheek, een bronnenboek van Surinaamse talen, Laurens Janszoon Coster, de uitgave van de volledige werken van Hooft en nog veel meer – alle niet voltooid. Alleen een enkel deelaspect werd hier en daar door een oud-leerling en latere vakgenoot nog naar buiten gebracht.

         

Maar al zijn de beloofde eindresultaten nimmer gehaald, toch liet hij hiermee leerzame ervaringen na met betrekking tot de ambities, organisatie en uitvoering van geesteswetenschappelijk onderzoek waarmee latere generaties hun voordeel gedaan hebben. Zo werd duidelijk dat maandenlange investeringen in teamverband in het minutieus beschrijven van elk watervlekje in middeleeuwse handschriften en oude drukken niet opwogen tegen de te verwachten resultaten daarvan en bovendien buitengewoon demotiverend werkten bij beginnende onderzoekers. Met zulke exercities probeerde Hellinga de wetenschappelijkheid van het historische onderzoek te demonstreren aan een principiële aandacht voor de materie door zulke gedetailleerde beschrijvingen. Maar echte natuurkunde wou het toch nooit worden, ook omdat meer precieze vraagstellingen ontbraken, waardoor de eindeloze observaties nogal in de lucht bleven hangen. Ten slotte droeg het gevoel, dat de bedenker van dit groots en meeslepend bedoelde geheel allang weer met iets anders bezig was, evenmin bij tot een enthousiaste voortzetting. Wat rest is een horde schoenendozen en mappen vol langzaam uitdovende processen-verbaal van handschriften en oude drukken.

         

En telkens doemde weer de kater op, dat het toch zo fraai begonnen was met die paar aanstekelijke voorbeelden van de meester zelf, vol didactisch theater uitgespeeld in afgeladen collegezalen en temidden van exclusieve werkgroepen, nog eens uitdagend gebracht op congressen en ten slotte triomfantelijk verwoord in een vaktijdschrift of een literaire periodiek als Maatstaf – destijds bijzonder ongebruikelijk voor de verspreiding van het academisch vertoog. Maar daarna waren de voorbeelden op. En nieuwe waren er langs systematische weg niet of nauwelijks te vinden. Hellinga’s wetenschapsbeleid deed denken aan Klondike op herhaling. Zelf vond hij als eerste op spectaculaire wijze substantieel goud. Maar de door hem verleide gelukzoekers konden zich nadien eindeloos afbeulen met de waterzeef, zonder ooit iets van diezelfde substantie te vinden die hij zomaar had weten op te rapen.

         

Niettemin was het echt goud waarmee hij geregeld kwam aanzetten. Bovendien leverde dat hele theater een veel minder zichtbare winst op, die achteraf van veel groter gewicht mag heten. Er werd diepgaand geëxperimenteerd met onderzoeksvragen, problematiseringen en het systematisch vinden van antwoorden, terwijl men tegelijkertijd fundamenteel leerde nadenken over het wezen van taalgebruik in heden en verleden. Dat ging volgens Hellinga het best als er per college een paar konijnen uit de hoed getoverd werden. Plechtig betrad hij een al lang tevoren volgelopen collegezaal. Samen met hem kwam zijn staf binnen, die vervolgens plaatsnam op de eerste rij. Mompelend scharrelde Hellinga dan wat rond op het podium, als een verstrooid geleerde die aarzelde hoe te beginnen – geen beter methode om een volle zaal tot zwijgen en besliste aandacht te krijgen. Wat er daarna kwam, was altijd verrassend, alleen al doordat het niets met de aangekondigde titel van het college te maken leek te hebben.

         

Zo tekende hij eens – nog mompelend – een omgekeerde A op het bord, in een enorme hanenpoot. Het college begon dan met de vraag aan de stafleden op de eerste rij, stuk voor stuk, of zij onder woorden konden brengen wat zij zagen. Hoewel iedereen in de zaal onvermijdelijk dacht aan een omgekeerde A, leek een dergelijke reactie te simpel. Bijgevolg gaven de geleerde docenten en daarna nog een enkele student desgevraagd de meest gecompliceerde antwoorden, in de trant van ‘indeterminabel taalteken’, ‘geïnverseerde kapitaal’ en dergelijke. Deze omschrijvingen werden daarna op uitgesproken lijzige wijze door Hellinga herhaald, wat menig respondent al het schaamrood op de kaken bezorgde. En dan begon hij na deze geanimeerde afzet over de rug van de zaal zelf: waarom zegt niemand dat hij of zij gewoon een omgekeerde A ziet? Tegelijkertijd wist iedereen dat bij een dergelijk antwoord de reactie bestaan zou hebben uit een snerend ‘Hoe komt u dáár nu bij?’ of ‘Hoe weet u zo zeker dat u niet op uw kop staat?’ en zelfs ‘Zag u mij soms op mijn handen binnenkomen?’

         

Maar wat, hoe dan ook, uiteindelijk volgde was een briljant college over tekenleer, later in de wereld bekend als semiotiek. Aan de hand van enkele nieuwe voorbeelden werd duidelijk gemaakt dat context en situatie – sleutelbegrippen in Hellinga’s vocabulair – bepalend waren voor het taalverkeer. Op grond daarvan gaven de gearriveerde en aankomende geleerden in de collegezaal ook van die gekke antwoorden, lichtte hij minzaam toe. Nog als middeleeuwers dachten we dat wetenschap louter observeren was op basis van tijdloze waarheden, en omgekeerd dat  verschijnselen uit het hic et nunc dienden op te gaan in fenomenale generaliseringen, niet anders dan het middeleeuwse geloof in de universalia dat pas gebroken werd door ‘ketterse’ geleerden als William Ockham en Roger Bacon.

         

Deze met naam genoemde nominalisten uit de Middeleeuwen waren onze onmiddellijke erflaters. Net als zij moesten we leren het ding op zich te observeren, dat zich in dit geval van de omgekeerde A aanbood als een vermoedelijk teken op de vermoedelijke wijze van een vermoedelijke taal, en dat nog alleen onder alfabeten in de Westerse wereld die zich in een situatie van zekere taalreflectie hadden begeven – ‘op de wijze van’ was het kernwoord in alles wat Hellinga onthulde. Daarna volgde een nadere demonstratie van de beslissende werking van situatie en context. Zou hij de omgekeerde A te Delft aan de universiteit op het bord tekenen, dan antwoordden staf en studenten daar ongetwijfeld met ‘een wig’, ‘bruggesteun’ of iets anders uit hun vak. We knikten ijverig en schreven alles op. Maar u knikt te vroeg, sneed Hellinga ook dit tevreden begrip weer af, want alles hangt weer af van de wijze waarop mijn college daar is aangekondigd. Ben ik te gast als taalkundige uit Amsterdam, dan word ik bekogeld met omgekeerde A’s als antwoord, want één verschil is er natuurlijk wel met Amsterdamse studenten: die bêta’s daar zijn een stuk nuchterder. Daarna varieerde hij eindeloos zowel context als situatie, om steeds weer nieuwe reacties te suggereren op zijn omgekeerde A. De mooiste was een antwoord uit een illusoire vergadering van de ledenraad van de ANWB: weggewaaide tent.

         

Je leerde er wel van denken, niet alleen over taal en communicatie maar ook over wetenschapsbeoefening in het algemeen. En steeds kregen we op de meest onverwachte momenten nieuwe voorbeelden en andere casuïstiek. Wilt u straks in de pauze nog een tweede kopje koffie, dan vraagt u wellicht aan de juffrouw in de kantine of nu nog een kopje mag. Verwacht u dan dat ze over de toonbank naar u uitreikt op de wijze van een poes? En waarom eigenlijk niet? En wat moet u doen om haar toch aan het spinnen te krijgen? Of bent u al de enige die een kopje krijgt, terwijl de anderen het moeten stellen met gewoon koffie? De seksuele revolutie moest nog aanbreken, dus we vermaakten ons uitstekend met de kantinejuffrouw die door sommigen ook daadwerkelijk aan deze proeven onderworpen werd. Een keer verliet hij plotseling de collegezaal - op het bericht van een urgent bezoek – met de opdracht aan de zaal om zoveel mogelijk situaties en contexten te bedenken die ‘hij zit weer’ in een waaier aan betekenissen uiteen deed spatten. Hele toneelstukken werden opgevoerd in de gevangenis, op het voetbalveld en in de schouwburg. Zelf kwam hij natuurlijk met een mogelijkheid aanzetten die niemand bedacht had, beter gezegd, nooit had kunnen bedenken.

         

In een tijd, begin jaren zestig – maar zulke colleges gaf hij ook al tien jaar eerder -, waarin het standaardonderwijs aan de universiteit bestond uit hoorcolleges met een strikt eenrichtingsverkeer, voornamelijk gericht op feitenkennis en de latere reproductie daarvan op een tentamen, waren zulke uitdagingen in dezelfde zalen zeldzaam opwindend. Men had het gevoel dat ter plekke de wereld opengebroken werd en vooral dat zoiets het beste kon geschieden aan de hand van een versregel uit de Reynaert. In die zin is er een even ongewild als onmiskenbaar verband tussen wat Hellinga aan gewichtigheid rond de oudere Nederlandse letterkunde postuleerde en wat de kort daarop in het geweer tredende studenten in het kader van hun revolutie wensten te proclameren. Want hielden zij niet vol, dat men de wereld kon en moest veranderen door de bestudering van diezelfde teksten? Hellinga gruwde van die studenten aan de macht, distantieerde zich beslist van elke door hen afgedwongen reorganisatie van onderwijs en onderzoek, en wenste zich volstrekt niet te realiseren dat hij zelf in feite zulke hervormingen had uitgelokt. Evenmin toevallig werd het studentenprotest gesteund door enkele voormalige leden van zijn staf. Dat kwam zeker niet in de eerste plaats voort uit verzet tegen de totalitaire structuren die Hellinga voorstond en belichaamde, maar veeleer uit de vernieuwingen in het onderzoek en het onderwijs die hij al jarenlang in praktijk bracht en het zware gewicht, dat hij daarbij aan de bestudering van de geesteswetenschappen had weten te verlenen.

         

Taalgebruik was betrekkelijk. ‘Parijs’ verwees in de jaren vijftig voor de meeste mensen in Nederland niet zozeer naar de hoofdstad van Frankrijk, maar veel meer naar een droomoord vol pikanterieën waar men zich op huwelijksreis graag heen spoedde. Hoorde men bijgevolg ‘Parijs’, dan liep als het ware het water in de mond. Tegelijkertijd dwong zijn sterke hang naar harde wetenschap en dus de tastbare materie steeds meer in de richting van de tekstdragers en hun producenten. Bij het opschrijven in een handschrift dan wel het zetten in een drukkerij gebeurde er van alles met de aangeleverde tekst, zowel per abuis als met opzet. Daarom diende dat transport van de tekst zorgvuldig bestudeerd te worden aan de hand van de eigenaardigheden van het bewaarde materiaal, opdat men de oorspronkelijke intenties van de auteur en de latere al dan niet gewilde wijzigingen daarin met de grootste gedetailleerdheid kon vaststellen. [11]

 

 

neofilologie versus literatuurwetenschap

         

Een aantrekkelijk répoussoir om zijn standpunten en visies bij de interpretatie en editie van zowel oudere als eigentijdse literaire teksten nader te profileren, bleek de courante literatuurwetenschap te zijn. Door die keer op keer te denigreren en alle aanspraak op wetenschappelijkheid te ontzeggen slaagde hij er niet alleen in zijn eigen aanpak prikkelend te afficheren, maar ook studenten te intrigeren en vooral te motiveren dit schamele tijdverdrijf van de zogenaamde literatuurhistorici te ontmaskeren. Dit volk verzuimde de teksten grondig te lezen, die de aanleiding gaven tot hun bezigheden. In plaats daarvan verloren ze zich in biografisme en het aanwijzen van stromingen en genres, zonder een behoorlijk benul te hebben van wat in de betrokken teksten nu precies bedoeld werd en gelezen of beluisterd kon worden: ‘Nog altijd praten onze literairhistorici niet over de teksten, maar over de teksten héén’. [12]

         

Veelzeggend is ook de aangevoerde argumentatie bij het ontraden van de door hem bewonderde Marie Kronenberg haar ruime boekenschat in 1968 zomaar aan de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek te schenken. Notarieel zou moeten worden vastgelegd waar de boeken geplaatst gingen worden. Immers, voor men het wist zou de collectie op een ‘immense zaal’ komen te staan, ‘waar honderden jongelui de boeken letterlijk verslijten bij de voorbereiding van een of ander letterkundig tentamen’. Graag zou hij een deel van haar boeken in zijn gespecialiseerde stafbibliotheek opnemen, door hem persoonlijk opgebouwd. Die was uitsluitend toegankelijk voor een paar gerenommeerde medewerkers (vijf à zes) en tevens enkele studenten in de kandidaatsfase van de studie ‘die blijk geven dat zij geschikt zijn voor de studie die filologie en boekwetenschap verbindt’. Op een nieuw werkadres in de stad – Hellinga verwijderde zich ook fysiek steeds verder van de Neerlandistiek – omschreef hij de medebewoners van het grachtenpand als ‘een belastingconsulent, een financieel adviseur en een consul van een of ander Zuidamerikaans staatje met één bezoeker in het jaar. Dat zijn betere bewoners dan letterkundigen!’ [13]

         

Maar dat is niet meer dan de buitenkant van zijn afkeer van de pretenties van de academische literatuurstudie. Voorop stond dat hij wilde laten zien hoe het dan wel moest: lezen en interpreteren op de vierkante millimeter, gestuurd door situatie en context, en geschraagd door kennis van de wereld waarvoor de tekst bestemd was en waarin deze een eerste receptie vond. Pas wanneer de met filologie en taalkundige stilistiek blootgelegde betekenissen aan de literaire tekst onttrokken waren, kon de literatuurhistoricus desgewenst in actie komen. Maar eerst moesten al die teksten die deze generaliserend wilde behandelen deugdelijk geëditeerd en geïnterpreteerd zijn door de filoloog. En ook al bleek die niet eens tijdens een mensenleven met de Reynaert of de Gysbreght van Aemstel klaar te kunnen komen, de literatuurhistoricus moest toch maar rustig afwachten.

         

Maar hoe ging interpreteren dan volgens de taalkundige of filologische methode? Al in zijn oratie De Neerlandicus als taalkundige uit 1946 introduceerde hij de taalkundige benadering van de literaire tekst, later gepreciseerd als tekstinterpretatie op basis van taalkundige stilistiek. Heel onverwacht behandelde hij toen een paar versregels van de dichter Leopold, later eindeloos uitgesponnen in colleges en werkgroepen tot in de jaren zestig. Het ging om het gedicht met de openingsregel ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’. Hellinga wist werkelijk uren te vullen met gedraai rond deze woorden. Wat gebeurt er in het gedicht (en met u) als er gedrukt stond ‘(…) staan peppels’? Of ‘Peppels staan (…)’? [14]

         

De openingsregel van een gedicht van Hendrik de Vries gaf aanleiding tot oeverloze problematiseringen van intentie en receptie. Het ging om de onvergetelijke regel ‘Het weerlicht ver, maar ik hoor geen donder’. Kon De Vries hier een dubbelzinnige plaisanterie bedoelen? Maar hoe lag in zijn tijd en milieu dan het gebruik van het woord ‘donder’ in de zin van een hoop herrie. Of beter nog, kon De Vries deze uitdrukking die nu eigenlijk alleen in een negatievorm voorkwam – geen donder – mede bedoeld hebben? En hoe kon je daar achter komen? Of was het eerder kenmerkend voor latere receptie om hier zo’n dubbelzinnigheid te lezen? En was dat laatste niet wat literatuurhistorici steeds deden? Die maakten immers de tekst op grond van een vermeende, tijdloze esthetiek los van zijn eigen tijd, om er aldus een boventijdelijke betekenis aan te hechten die in feite weinig meer was dan een projectie van hun eigen tijdgebonden opvattingen over wat schone literatuur hoorde te zijn. Sprak die houding al niet uit de benamingen van de reeksen tekstedities, waarin zij hun teksten voorzien van povere woordverklaringen publiceerden? Inderdaad kon men moeilijk ontkennen dat benamingen als Van Alle Tijden, Klassieke Galerij, Letterkundig Pantheon en Nederlandse Klassieken elke tijdgebondenheid ontkenden of eerder beschouwden als een smet op de te vereeuwigen literaire tekst, die daarvan door middel van woordverklaringen zo snel mogelijk bevrijd moest worden. En zo ontstond dan de toeschrijving van een flauw grapje aan Hendrik de Vries, dat gedicteerd werd door dit kortzichtige a-historisme. [15]

         

Met de werkgroep ‘Stilistiek op linguïstische basis’ – een van zijn eerste projecten – werden voornamelijk literaire teksten aangepakt. Daarmee speelde hij in op de ergocentrische literatuurbenadering, die rond de Tweede Wereldoorlog wel degelijk in het literatuurwetenschappelijk onderzoek school had gemaakt, al maakte Hellinga nauwelijks melding van deze herkomst uit de zo geminachte hoek. Hierbij was ook een aantal Zuid-Afrikaanse onderzoekers actief betrokken, van wie uiteindelijk de meest indrukwekkende prestaties kwamen in de vorm van dissertaties en bovenal een op deze benaderingswijze gebaseerd tijdschrift, Standpunte (vanaf 1951). Op afstand is het tijdschrift Merlyn (vanaf 1962) evenzeer schatplichtig aan Hellinga’s fervente tekstinterpretatie op basis van de tekst alleen, ook bevorderd door zijn oud-leerling Jaap Oversteegen als lid van de driekoppige redactie. [16]

         

Nog meer dan literatuurwetenschappers in het algemeen waren historisch letterkundigen in het bijzonder de gebeten hond. Ze miskenden het historische karakter van hun teksten en schoten ten enenmale tekort in het verzorgen van wat Hellinga ‘de commentaar’ noemde, een extensieve interpretatie op het niveau van woord, woordgroep, versregel of zin. Breed haalde hij uit op congressen met onweerstaanbare casuïstiek om zijn standpunt toe te lichten, dat een benadering ‘op de wijze van een traditionele literatuurkunde’ niet anders dan tot het ergerlijkste wanbegrip moest leiden. Als de raaf Tieceleyn in de Reynaert Bruun, Ysengryn en Tybeert informeert over de stand van zaken rond Reynaerts proces typeert hij de vos als ‘meester-bottelier’ aan het hof. En een teksteditie geeft dan als enige annotatie de woordverklaring ‘opperschenker’. Maar daarmee is helemaal niets verklaard, het eigenlijk interpretatiewerk moet dan nog beginnen. En in het kader van een omstandige verkenning van situatie en context, waarbij het gebruik van deze typering ook op andere plaatsen aan een dergelijke benadering onderworpen wordt, voert Hellinga luisteraar en later lezer dermate geraffineerd aan de hand mee, dat deze de indruk krijgt zelf de juiste interpretatie net voor Hellinga gevonden te hebben, waarvan deze dan kort daarop als het ware de bevestiging geeft. Reynaert heeft de koning een zwamverhaal op de mouw gespeld en deze is daar ingetrapt. En de raaf verpakt zijn verslag in de beeldspraak, dat de koning alles geslikt heeft wat Reynaert wist uit te schenken. Daarna laat Hellinga nog zien dat ook elders in de tekst zulke horecabeeldspraak gebruikt wordt, steeds in de zin van ‘iemand een kool stoven’. [17]

         

Kort gezegd kwam het erop neer, dat de ergocentrische benadering van de literaire tekst – later beter bekend als ‘close reading’ – evenzeer voor een tekst uit het verleden hoorde te gelden. Alleen diende er dan veel meer aandacht uit te gaan naar de denk– en leefwereld van de bedoelde consumenten, waarmee het taalaanbod verbonden moest worden. Bij een moderne tekst representeerde men zelf die wereld, zodat daar geen speciale arbeid vereist was. Verder was het bij een historische tekst wel zaak, dat de oriëntatie op de toenmalige wereld verliep aan de hand van de vragen, die de tekst zelf stelde. Bezig met een aantal teksten van Hooft en Vondel gaf hem dat de volgende wensdromen in, die hij in ieder geval op zijn colleges presenteerde als een vrijwel te realiseren streven waarin men onvoorwaardelijk diende te geloven:

 

 Je weet dat ik met een document en een anecdote tracht terug te keren naar een bruiloft in 1627 of als onzichtbare gast aan te zitten met de familie Hooft op ’t Hoge Huis te Muiden in 1636. – Je weet dat ik niets liever wil dan weer twee jaar later op zondagmiddag de derde Januari 1638, mee wandelen met de Amsterdammers naar de nieuwe Schouwburg, om er de eerste opvoering te zien van de ‘Gysbreght van Aemstel’.

 

Daarna vertelt hij, allemaal in een gepubliceerde briefwisseling met de literatuurhistoricus Anton van Duinkerken, dat hij zijn commentaar op de Reynaert telkens weer uitstelt ‘omdat ik me nog altijd niet voldoende thuis voel daarginds op de markt te Gent, tussen jan en alleman, in het laatst van de twaalfde eeuw’. Maar hij is daar inmiddels wel geweest want ‘op die markt hebben we meegelachen en meegesist en meegehoond om al wat er gebeurde met Reynaert de vos’. [18]

         

Op alle niveaus bracht Hellinga in de jaren vijftig zijn sterke overtuigingen met betrekking tot de analyse van taalgebruik naar buiten. Deze polemische briefwisseling verscheen in het literaire tijdschrift Maatstaf, zijn vakgenoten overblufte hij in wetenschappelijke tijdschriften met meer programmatische uitspraken, die het karakter van goddelijke opdrachten leken te dragen. Hij zou en hij moest zijn roeping onder brede lagen van de geleerde en artistieke bevolking telkens weer erin hameren: 

 

(…) er wordt verwacht, dat wij er principieel naar streven, het taalaanbod en daarom dus het feitenaanbod door middel van taalvormen in een gegeven context opnieuw te doen plaats vinden vanuit de geestesstructuur en binnen de cultuur en beschaving waardoor de communicatie in zulk een geval oorspronkelijk werd bepaald. [19]

 

Opvallend is weer hoezeer hij telkens het academisch bedrijf in de letteren een wetenschappelijk aanzien wil geven. Daartoe kijkt hij steeds naar de natuurwetenschappen. Daar kan men proeven nemen en deze vervolgens herhalen als test onder dezelfde of variabele omstandigheden. In wezen stelt Hellinga dergelijke procedures nu ook voor bij de tekstinterpretatie als hij hier spreekt over ‘opnieuw te doen plaats vinden’ – de geesteswetenschappen konden ook en wel degelijk de proef op de som nemen!

         

Maar na zulke strikt wetenschappelijk bedoelde exercities stichtte hij weer de grootste verwarring met zijn warme pleidooien voor de fantasie. Deze was een onontbeerlijk instrument voor de onderzoeker, daarmee moest men de grenzen zoeken en verkennen van de mogelijkheden die er voor de interpretatie bestonden. Daarvoor was moed nodig, want het herhaaldelijk maken van fouten bleek daarbij onvermijdelijk. Maar dat was de tol die men had te betalen voor de vooruitgang van de wetenschap, die er niet bij gebaat kon zijn dat men met de pantoffels aan achter de kachel bleef zitten. Hellinga verdedigt zich hiermee in diezelfde polemiek met Van Duinkerken die hem op een aantal fouten betrapt heeft, en wel zo dat hij van die fouten deugden weet te maken als signalen van vooruitgang. [20]

         

Zijn beginselen demonstreerde hij graag aan de Gysbreght van Aemstel, onveranderlijk beginnend bij een ‘letterkundige’ die een foute, misleidende of overbodige annotatie had gegeven bij een woord of versregel. ‘Brengt herwaert mijn geweer’, roept Gysbreght naar zijn dienaars. Hij is vrijwel verslagen en zojuist zijn stadsslot binnengevlucht. Daar treft hij zijn familie en getrouwen, met wie hij in dispuut raakt over de verder te volgen tactiek in de eigenlijk al verloren situatie. Badeloch, zijn vrouw, krijgt van hem het bevel om te vluchten, maar ze weigert pertinent en wil met hem strijdend ten onder gaan. Dan roept Gysbreght om zijn ‘wapenrusting’, zeggen de literatuurhistorici in hun edities, en verder niets. Op die manier reduceerden ze de uitgave van zo’n tekst uit het verleden tot een leerboekje voor zeventiende-eeuws Nederlands, de tekst wordt er op dit punt allerminst duidelijk van.

         

Wat was de situatie? Men kon zich toch moeilijk voorstellen dat Gysbreght, net binnengevlucht, geheel zonder wapens staat nu de vijand hem en zijn gelieven elk moment kan overweldigen. Uit de context blijkt dat hij op zijn minst nog zijn zwaard draagt, want in het hevige dispuut met zijn vrouw roept deze uit dat ze liever gedood wil worden dan op de vlucht te moeten: ‘En ruck, het is mijn wil, dit lemmer uit der scheede, / En stoot het door dees borst, en doop het in dit bloed’. Dat moet het zwaard zijn dat haar man draagt. Later blijkt dat hij binnen ook nog zijn harnas aan had, al even begrijpelijk. Maar wat wil Gybreght met ‘geweer’ dan aangereikt krijgen? Kennelijk de rest, zijn helm en schild die hij even had afgelegd, want anders was het moeilijk praten en disputeren. Daaruit vloeide weer de vraag voort of men al dan niet met een helm op kon praten. En dat hing niet alleen af van het soort helm, maar evenzeer van de heersende conventies en het eventueel doorbreken daarvan door de oorlogssituatie. Nadrukkelijk moest men bij de behandeling van dergelijke vragen waken voor de historische voorsprong, die de onderzoeker in het heden had. Anders gezegd, in een aantal opzichten wisten wij nu meer dan iemand in de tijd zelf. De vraag kon dus niet zijn hoe een edelman er rond 1300 uitzag – de Gysbreght van Aemstel speelt in die tijd -, maar hoe men te Amsterdam anno 1638 vond dat een edelman er toen uitzag of eruit hoorde te zien. [21]

 

 

hervormer van de geesteswetenschappen

         

Hellinga’s soms rigide hang naar verwetenschappelijking van de alfavakken dreef hem steeds directer naar het teksttransport en de daarbij behorende concrete materie. Inmiddels had hij in veelvoud vastgesteld hoezeer teksten mishandeld konden zijn bij hun publicatie in handschrift of druk – ook door de auteur zelf – en hoezeer die fouten en varianten de interpretatie niet alleen frustreerden maar ook vooruit bleken te helpen. Daartoe moest hij zo precies mogelijk weten welke materialen een kopiist in de Middeleeuwen gebruikte, hoe een codex werd samengesteld, op welke wijzen het overschrijven kon geschieden en nog veel meer, wat allemaal ook gold voor de zetter en de drukker in de vroegste ateliers. Daarmee introduceerde hij in de jaren vijftig nieuwe (hulp)wetenschappen, die vooral door zijn initiële toedoen konden uitgroeien tot volwaardige disciplines zoals de codicologie, analytische bibliografie, boekwetenschap en incunabulistiek, als zodanig niet meer speciaal verbonden met de Neerlandistiek of de tekstinterpretatie. [22]

         

Daar is het wel in hoge mate begonnen, vrijwel uitsluitend door Hellinga’s vurige streven de analyse van teksten tot volwaardige wetenschap te doen uitgroeien. Daartoe toonde hij zich al heel vroeg bewust van de fundamentele betekenis van het teksttransport en zijn materiële basis. Het plan om in een groots project de verzamelde werken van P.C. Hooft uit te geven werd in 1947 naar buiten gebracht. En bij die gelegenheid onderstreepte hij in een voordracht dat deze arbeid nu strikt wetenschappelijk zou verlopen, met primaire aandacht voor de oorspronkelijke tekstoverdracht. Pas daardoor kon er zicht komen op het ‘levende dichterschap’ van Hooft:

 

Die weg moeten wij trachten te bereiken door de harde werkelijkheid van 100-malige vergrotingen onder de binoculaire loupe, door ultraviolet licht en infrarode opnamen, door analyse van inkt en papier en het bestuderen van gaatjes en krasjes en spatjes. [23]

 

Maar elke ervaring met dergelijk onderzoek ontbrak en het project mislukte in deze zin dan ook volledig. Toch is met die opstelling wel de weg gewezen naar een principiële benadering van teksten, ook uit het heden, die de toekomst had gezien de huidige onderzoekspraktijken.

         

Zijn uiteindelijke liefde werd de analytische bibliografie, en meer in het bijzonder de incunabelkunde. Daarin speelt zijn vrouw Lotte Hellinga-Querido een belangrijke rol, zelfs zozeer dat zij allengs boven hem uitsteeg. Samen toonden ze zich sterk geïnspireerd door de Shakespeare-filologie, die dank zij de bibliografische belangstelling voor de genese van diens teksten een enorme stap voorwaarts had gemaakt. W.W. Greg en Ronald B. McKerrow werden geïntroduceerd als de helden van de ‘new bibliography’, die niet het accent legden op het beschrijven van afzonderlijke edities maar op de materiële analyse daarvan aan de hand van alle bewaarde exemplaren. En wat die voor de interpretatie van Shakespeare’s werk kon betekenen, bleek uit de prikkelende studie van J. Dover Wilson, What happens in Hamlet.

         

Toch waren het voornamelijk Neerlandici die hierop vergast werden. Nog net konden zij bij monde van hem, zijn vrouw of anders zijn (voormalige) stafleden in de jaren zestig vernemen, waarom de pretentieuze folio-editie uit 1623 van Shakespeare’s verzamelde werken het foute ‘solid flesh’ had in de eerste alleenspraak van Hamlet, terwijl de zogenaamde ‘bad quarto’s’ van 1603 en 1605 toch het correcte ‘sullied flesh’ lazen. Hamlet, weliswaar de onschuld zelve, ging gebukt onder de doodzonde van zijn moeder en beklaagde daarom zijn verdorven vlees, immers als kind droeg hij naar toenmalige opvatting haar zonden met zich mee. Dat hij zich trots op zijn krachtige vlees zou beroemen sloeg nergens op en kon alleen maar ontstaan zijn uit een luisterfout, ofwel bij het opnemen van de kopij tijdens een voorstelling ofwel door het voorlezen aan de zetter. [24]

         

Niettemin werden de banden met de Neerlandistiek nu ook formeel verbroken door wederom een verandering van leerstoel en de bijbehorende verhuizing. Toch stond de motivatie om zich verder exclusief op het terrein van de incunabelkunde te bewegen niet los van de ooit begonnen aanzetten tot een omvangrijk Reynaert-commentaar. In een spraakmakend artikel uit 1968 bewandelde hij – nu samen met zijn vrouw - weer de vertrouwde weg door aan de hand van een enkel sterk voorbeeld de betekenis van de incunabelkunde voor de Neerlandistiek te demonstreren, evenzeer vanouds vergezeld van het uitzicht op enorme projecten en niet het minst uit het veld geslagen door de inmiddels opzienbarende strandingen van eerdere ondernemingen op die schaal. Maar de gegeven voorbeelden bleken wederom onweerstaanbaar, en wel zozeer dat voor de zoveelste keer de indruk ontstond dat hij op een goudmijn gestoten was die overliep van eenvoudig op te delven schatten.

         

De Reynaert is in prozavorm ook in druk verschenen. De oudste edities zijn van 1479 en 1485. De laatste vertoont allerlei varianten, doorgaans heel kleine, ten opzichte van de oudst bekende. Maar toch is het niet zo, dat die jongere de oudste gevolgd heeft, waarbij dan de nodige slordigheden en waanwijsheden van de zetter(s) de afwijkingen zouden moeten verklaren. Om aan te tonen dat het niet zo was gegaan, wordt de passage aan de orde gesteld, waarin Bruun - door Reynaert in verleiding gebracht - uitroept dat hij alle honing zal kunnen wegstouwen die zich aandient. In de editie-1479 staat dan vereten (‘helemaal opeten’) en in die van 1485 verteren. Hoe komen zulke varianten nu tot stand, wat vertellen ze over de relatie tussen de beide edities en wat is de meest authentieke versie? De editie-1485 kan niet op die van 1479 teruggaan, want om te beginnen staat er niets fouts of vreemds daarin met dat vereten. Bovendien kan deze vorm moeilijk verlezen worden tot verteren, want het gaat dan om een paar letters en niet één taalteken waarop men zich verkijkt. De enige mogelijkheid is, dat er een verloren gegane editie-[X] van vóór 1479 moet zijn geweest die zowel door de editie-1479 als de editie-1485 gebruikt werd. Daarin zal dan op deze plaats een zetfout gestaan hebben, en wel vereren, niet als gevolg van een zich in de kopij verlezende zetter, maar eerder in het verlengde van een distributiefout. De gebruikte typen werden door de jongste gezel in het drukkersatelier weer in hun vakjes gedaan – typisch beginnerswerk – en zo’n onervaren kracht kon zich snel vergissen bij zulke sterk gelijkende typen als de r en de t.

         

Daardoor staat er op deze plaats onzin in de editie-[X], die vervolgens spontaan verbeterd wordt door de zetters van de beide nu nog bekende volgende edities, die uiteraard de oorspronkelijke kopij niet bij de hand hebben. De editie-1479 doet het toevallig goed en maakt er weer het bedoelde vereten van. Maar die van 1485 slaat een andere weg in en ‘verschlimbessert’ tot verteren, overigens ook door maar één letter toe te voegen. Beide zetters gingen ervan uit dat de onzin op één letter – en dus één handeling – betrekking moest hebben. Alleen maakt die van 1485 de oorspronkelijke tekst nu definitief onherkenbaar op deze plaats, want er staat geen onzin meer waardoor er geen aanleiding is om een fout te vermoeden. Dankzij de andere bronnen was er echter toch zicht te krijgen op zulk tekstbederf, waar de auteur van toen geen enkele greep op kon hebben. [25]

         

Op deze manieren zaaide Hellinga voortdurend twijfel vanuit en binnen uiteenlopende disciplines omtrent de bestaande interpretatie – en editiemethoden. Men verzuimde de status van de uit te geven tekst vast te stellen, verwaarloosde het onderzoek naar de relatie tussen de overgeleverde bronnen, las vervolgens over de tekst heen en volstond met zinloze woordverklaringen zonder de wereld waaraan de tekst refereerde daarbij te betrekken. Wat Hellinga daar tegenover stelde aan methodiek aan de hand van telkens weer spectaculaire voorbeelden, maakte onveranderlijk grote indruk. Vele van zijn voorgestelde, principieel andere benaderingswijzen zijn evident geworden, in het bijzonder de historische opstelling bij het interpreteren van oudere teksten. Daardoor is het vernieuwende daarin minder zichtbaar geworden, het paradoxale lot van elke succesvolle innovatie die vanzelf is gaan spreken. Maar historisch gezien gooide hij onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog niet alleen de complete Neerlandistiek overhoop van fonologie tot aan de Middelnederlandse letterkunde, maar legde hij tevens de basis voor een menigte aan nieuwe disciplines die inmiddels een eigen bestaan leiden. Die liggen niet alleen in de sfeer van de boekwetenschap, maar raken ook de communicatiewetenschappen, semiotiek, doventaal, Zuid-Afrikaans en Fries.

         

Een besliste drijfveer was steeds de als bijzonder urgent gevoelde noodzaak om de letterenstudies wetenschappelijk aanvaardbaar te maken. Daartoe wierp hij zich graag op de materie, keek naar de natuurwetenschappen, ontwikkelde een hang naar passen en meten, en probeerde indruk te maken met een toepasselijk geacht jargon zoals hij zelf niet zonder zelfspot durfde vast te stellen. Op de wijze van, situatie en context, (taal)aanbod, lezend oog, schrijvende hand, voorwetenschappelijke kennis werden steekwoorden, waarmee men als staflid of student aangaf tot het uitvoerend team van zijn grondige reorganisatie van de geesteswetenschappen te (willen) behoren.

         

Veel van wat hij meer in concreto beweerde, is niet houdbaar gebleken. Ook dat is een teken van vruchtbare vooruitgang zoals hij die zelf zo spectaculair entameerde. Graag schermde hij met (quasi - )concrete verwijzingen naar overeenkomstige kopiistenhanden en atelierorganisaties in de vroegste drukkerijen, die bij nader inzien ofwel onnaspeurbaar en dus oncontroleerbaar blijken te zijn ofwel eenvoudig niet gesteund worden door de feiten. [26] Ook zijn aangehaalde interpretaties van de plaatsen in de Reynaert en de Gysbreght van Aemstel getuigen allerminst van hardere wetenschap dan wat voordien was vertoond. Bij het krakeel rond de wapenrusting kan Badeloch best verwijzen naar een ander zwaard dan dat van haar echtgenoot, terwijl de zetter van de Reynaert-editie van 1485 evengoed in één blik het vereten van 1479 kan aanzien voor verteren. Maar meer in het algemeen bleken de aangewezen nieuwe wegen bijzonder vruchtbaar te zijn, mits men ze anders leerde bewandelen dan de meester met zijn grote projecten wilde.

         

Misschien is wel het belangrijkste dat hij de Neerlandistiek en de geesteswetenschappen in het algemeen een nieuw en naar zijn gevoel waarlijk academisch voorkomen gaf. Deze overtuiging of liever ambitie klonk al door in het herhaaldelijk beklemtonen van de theologie als oudste universitaire studie, eigenlijk niet anders dan filologie en tekstinterpretatie. Dat nieuwe aanzien wist hij in geschrifte , bij lezingen en in de collegezaal bijzonder sterk over te brengen. Ook als student had men het tintelende gevoel met iets zeer fundamenteels bezig te zijn, waarbij men de wortels van het wereldraadsel kon zien blootleggen aan de hand van dommelende zetters en arrogante kopiisten. Of omgekeerd. De samenleving is afhankelijk van het vermogen om tekens te lezen en teksten te begrijpen. Hellinga liet als geen ander zien hoe dat het beste kon.

 

 

 

GEBRUIKTE LITERATUUR

 

 

T. Anbeek, ‘De betekenis van Merlyn’, in: Nederlandse Letterkunde 6(2001), 1-12.

 

W. van Anrooij, ‘Met het oog op de dichter: Wytze Gerbens Hellinga (1908-1985)’, in: Der vaderen boek. Beoefenaren van de studie der Middelnederlandse letterkunde. Studies voor F. van Oostrom. Red.: W. van Anrooij e.a. Amsterdam, 2003, 221-234.

 

W. van den Berg, ‘Voskuil en de universiteit’, in: Literatuur 20(2003), nr. 6, 38-40.

 

E. Braches, ‘Foreword’, in: Hellinga. Festschrift / Feestbundel / Mélanges. Red. A.R.A. Croiset van Uchelen. Amsterdam, 1980, X-XVI.

 

G.R.W. Dibbets, ‘Hellinga, Wytze’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland, III (1989), 244-246.

 

J. Dover Wilson, What happens in Hamlet. Cambridge, 1962.

 

S. Dresden, ‘Herdenking van Wytze Hellinga (20 december 1908 – 16 maart 1985), in: Jaarboek van de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde, 1986, 178-184.

 

A. van Duinkerken en W.Gs Hellinga, ‘Lezen en laten lezen, een briefwisseling’, in: Maatstaf 5(1957), 41-62.

 

H. de la Fontaine Verwey, ‘Wytze Hellinga 1908-1985’, in: Quaerendo 15(1985), 165-178.

 

Het Comburgse handschrift. Ed. H. Brinkman en J. Schenkel. Hilversum, 1997, 2 dln.

 

W.Gs Hellinga, Rembrandt fecit 1642. De Nachtwacht / Gysbrecht van Aemstel. Amsterdam, 1956 (A).

 

W.Gs Hellinga, ‘De commentaar’, in: Handelingen van het Vierentwintigste Nederlands Filologencongres, 1956 (B), 109-127.

 

W. en L. Hellinga, ‘De betekenis van de incunabelkunde voor de Neerlandistiek’, in: Dietse studies. Bundel aangebied aan J. du P. Scholtz. Kaapstad, 1965, 52-76.

 

A. Kraak, ‘Hellinga, een poëzielezer als taalkundige’, in: Op eigen gronden. Opstellen aangeboden aan J.J. Oversteegen. Ed. K. Fens e.a. Utrecht, 1989, 29-42.

 

R. Salverda, Old Paradigms never die. On the development of linguistics in the Netherlands in the 20th century. (preprint, 2003)

 

J. van den Vondel, Gysbreght van Aemstel. Ed. M.B. Smits-Veldt. Amsterdam, 1994.

 

J.J. Voskuil, Bij nader inzien. Amsterdam, 1963, 2 dln.

 

H. de Vries, Keur uit vroegere verzen, 1916-1946. Amsterdam, 1962.

 

 


 

[1] Beknopte biografische schetsen, met veel verwijzingen naar zijn werk: Van Anrooij (2003); Dibbets (1989); Dresden (1986); Fontaine Verwey (1985); Braches (1980). Verder maak ik gebruik van mijn eigen herinneringen, zoveel mogelijk geverifieerd bij medestudenten en docenten van destijds; deze herinneringen gaan terug op twee studiejaren (1961/2 en 1962/3) toen ik als beginnend student enige colleges bij hem volgde en een enkele ontmoeting daarna; in de noten vermeld ik ‘oral history’ als ik substantieel uit zulke herinneringen van mijzelf en anderen put.

[2] Van den Berg (2003).

[3] De onder noot 1 genoemde overzichten geven daarvan een goede indruk; zie verder de digitale versie van de Bibliografie van de Nederlandse Taal – en Literatuurwetenschap (BNTL).

[4] Reeds in 1980 verstrekt vooral Braches (1980) daarin het nodige inzicht.

[5] Van den Berg (2003); Voskuil (1963), 921-932.

[6] Op de titelpagina van een brochure Historische Taalkunde en de taak van de Neofiloloog van september 1968, bestemd voor studenten Nederlandse Taal – en Letterkunde aan de Amsterdamse universiteit; in dit gestencilde werk van zo’n 35 bladzijden staat overigens ‘(…) en de fiologische hulpwetenschappen’ (cursivering van mij, HP); deze vertikking moet Hellinga tot grote woede gebracht hebben, ook en juist omdat opzet niet uitgesloten is – dan is de aanval uit eigen gelederen wel erg subtiel, omdat a) de kern van zijn eigen vak hier meteen gedemonstreerd werd (onwillekeurige fout dan wel bewuste ingreep bij teksttransport), en b) de (quasi) – vertikking verwijst naar de bijbelse ‘fiolen der toorn’: Hellinga had zich anno 1968 al een enorme reputatie in opvliegendheid en woede weten te verwerven; in dit licht moet dan ook de op de binnenflap van de kartonnen omslag later met knarsende ironie aangebrachte notitie begrepen worden: ‘Een van mijn medewerkers is zo vriendelijk geweest dit stuk tijdens mijn afwezigheid te typen. Ik betuig hiervoor mijn hartelijke dank. Enkele onregelmatigheden die de lezer misschien zal opmerken, komen dus geheel voor mijn rekening. W.H.’ (cursivering van mij, HP)

[7] De in noot 6 genoemde brochure, p. 1 (voorwoord); verder ‘oral history’.

[8] Hellinga (1956)(A); Vondel (ed. 1994): Mieke Smits – Veldt maakt in het voorwoord haar schatplichtigheid aan Hellinga’s materiaal en inzichten duidelijk, en draagt haar editie dan ook aan hem op.

[9] Braches (1980), XI.

[10] ‘Oral history’; Salverda (2003).

[11] ‘Oral history’; vergelijk de biografische overzichten in noot 1; Hellinga’s talent om mislukkingen  te verkopen als teken van kwaliteit wordt bevestigd door Kraak (1989), 37; zijn gebruiksmogelijkheid van ‘hij zit weer’ begreep ik toen meteen al niet, behalve dan dat het een soort jargon kon zijn uit een specifieke wereld van vakspecialisten: vaktaal dus.

[12] ‘Oral history’; Van Duinkerken en Hellinga (1957), 61.

[13] Van Anrooij (2003), 230-231; ‘oral history’.

[14] Anbeek (2001), 7-8; vergelijk Kraak (1989); ‘oral history’.

[15] De Vries (1962), 128.

[16] Anbeek (2001); Kraak (1989).

[17] Hellinga (1956)(B).

[18] Van Duinkerken en Hellinga (1957), 52.

[19] Hellinga (1956)(B), 119: vet van hem.

[20] Van Duinkerken en Hellinga (1957), 54, 56-57.

[21] Vondel (ed. 1994), r. 1770, r. 1738-1739, r. 1774; ‘oral history’.

[22] Zie vooral Fontaine Verwey (1985) en Braches (1980).

[23] Aangehaald bij Van Anrooij (2003), 226.

[24] Hellinga (1965); Dover Wilson (1962), 39-44: voor het eerst verschenen in 1935.

[25] Van Anrooij (2003), 229-230; Hellinga (1965), 57-62.

[26] Zie bij voorbeeld de constateringen van Brinkman en Schenkel in Het Comburgse handschrift (ed. 1997), 20-27.